Hermannus Jacob Kiewiet de Jonge

29-09-1847 (Groningen)  -  13-04-1935 (Nyon)

Portret van Hermannus Jacob Kiewiet de Jonge. Fototypie uit Neerlandia, orgaan van Algemeen Nederlandsch Verbond, 1908 (Regionaal Archief Dordrecht 551-10953).

Geboren 29 september 1847 te Groningen, overleden 13 april 1935 in Nyon (Zwitserland aan het Meer van Genève) en daar op 15 april begraven. Zoon van Geert Jans Kiewiet (Finsterwolde 1801- Groningen 1881), verwer, rijtuigschilder, glazenmaker, koopman en kastelein, en Willemtien Copinga (Groningen 1808-Groningen 1892). Bij KB van 15 november 1863 werd de naam Kiewiet gewijzigd in Kiewiet de Jonge.

Hermannus Jacob trouwde op 23 juli 1879 in Dordrecht met Helena Johanna (van der) Sande (Dordrecht 1851- Nyon 1936), dochter van Albert Jan Verbeek (van der Sande), koopman, en Elisabeth Maria Cornelia Roodenburg. Uit dit huwelijk twee kinderen:
1. Herman Jacob (Dordrecht 9 juli 1885-Bandung op Java, Nederlands-Indië 29 juli 1933), koloniaal ambtenaar (regeringsgemachtigde Algemene Zaken in Buitenzorg) en journalist. Bouwkundig ingenieur (Delft 1911) en jurist (Leiden 1923). Trouwde 29 januari 1914 in Leiden met Bertha Titia Jelgersma, dochter van de Leidse hoogleraar psychiatrie G. Jelgersma.
2. Albert Jan (Dordrecht 13 september 1890-na 1935), arts en psychiater, medisch directeur van een sanatorium in Prangins (Zwitserland, district Nyon). Trouwde op 11 december 1918 in Groningen met Anna Maria Jonkers (Groningen 1896-Prangins/Nyon 15 juni 1937), dochter van Engbert Jan Jonkers, arts, en Remke Waalkens. Promoveerde 8 juli 1918 aan de universiteit van Groningen op het proefschrift Naar aanleiding van Freud’s droomverklaring. Hertrouwde in 1938 Yvette Chapallaz (1907-2001).

Kiewiet de Jonge had grote verdiensten als leraar en rector, oud-leerlingen getuigden daarvan. Er was grote waardering voor deze classicus die als humanist onderwijs gaf vanuit een wetenschappelijke achtergrond, maar daarbij maatschappelijke en ethische aspecten benadrukte. Kiewiet de Jonge had als lijfspreuk non scholae, sed vitae discimus. Je leert niet voor de school, maar voor het leven. Zijn grote drijfveer lag echter buiten de onderwijspraktijk. Hij was vooral de voorvechter van de Groot-Nederlandse gedachte, dát was zijn levenswerk. Hij streefde naar het onderhouden van de stamverwantschap tussen alle wereldburgers die de Nederlandse taal of een afgeleide ervan hanteerden.

Kiewiet de Jonge bezocht in de stad Groningen de lagere school, het gymnasium en de universiteit. Deze opleiding van hoger en wetenschappelijk onderwijs was ongewoon binnen het gezin, waar zowel vader als de (oudere) broers aanvankelijk een bestaan als handwerksman hadden. In de periode 1874-1920 was Kiewiet de Jonge Dordtenaar. Na zijn studie in de letteren werd hij in 1874 namelijk benoemd tot leraar aan de Dordtse Hogere Burger School (H.B.S.), vergelijkbaar met Atheneum, waar hij de vakken Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde onderwees. In 1879 volgde de overstap naar het plaatselijke gymnasium om daar het onderwijs in de klassieke talen, zijn studierichting, Nederlands en aardrijkskunde op zich te nemen. In 1881 promoveerde hij in Groningen tot doctor in de klassieke letteren op het proefschrift Specimen litterarium continens de Gaio Mario et de scriptoribus qui de eius temporibus egerunt quaestiones [proefschrift over Gaius Marius (157-86 voor Christus) en de schrijvers die zich over zijn tijd hebben gebogen]. Toen rector A.W. van Geer in 1901 naar Groningen vertrok, volgde Kiewiet de Jonge, intussen conrector, hem in het Dordtse gymnasium op, een functie die hij in 1912, 65 jaar oud, beëindigde.

Kiewiet de Jonge woonde aanvankelijk in de Johan de Wittstraat 31 en was daar de buurman van de ouders van de latere Dordtse schrijfster en toneelcriticus Top Naeff. Met haar las hij klassieken uit de wereldliteratuur en zorgde ervoor dat haar eerste toneelstuk De genadeslag in 1899 werd opgevoerd. Top Naeff verklaarde na zijn overlijden over dit contact: ‘op den voet van kameraadschap, waarop wij, trots het groot verschil in leeftijd en wijsheid verkeerden, is het ternauwernood tot mij doorgedrongen, wat ik voor mijn leven aan dien leermeester bij Gods genade te danken zou hebben’.

Het afscheid van het onderwijs in 1912 was niet het begin van een teruggetrokken bestaan. De maatschappelijke betrokkenheid die Kiewiet de Jonge tegenover zijn leerlingen in zijn lessen accentueerde, bleek eveneens uit het feit dat hij een uitgebreid verenigingsleven had. Hij was onder meer lid, vaak bestuurslid, van het Dordtse Diversa sed Una, de Vereeniging voor Volksweerbaarheid (voor lichamelijke ontwikkeling), de Vereeniging voor den Volkszang, de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, het Nederlandsch Toneelverbond, de Vereeniging Plicht en Recht (waar eigentijdse sociale stromingen werden bestudeerd), de Nederlandsch Zuid-Afrikaanse Vereeniging en de Tucht-Unie (mede door hem in 1909 opgericht). De doelstelling van de Tucht-Unie was: tuchteloosheid onder het Nederlandsche volk te bestrijden, ten einde zijne zedelijke, geestelijke en lichamelijke kracht te verhoogen. Ook het Zuid-Afrikaansch Museum in de Museumstraat had zijn belangstelling en hij leidde er bezoekers uit Zuid-Afrika rond. Daarnaast was hij jarenlang medewerker van het Dordtse maandblad Europa en was succesvol als toneelcriticus voor de Dordrechtsche Courant.

Zijn leven had echter al in 1897 een belangrijke wending gekregen. Het 24e Taal- en Letterkundig Congres werd in 1897 in Dordrecht belegd met Kiewiet de Jonge als gevraagde voorzitter. In zijn toespraak wees die op de wenselijkheid een verbond tot stand te brengen waarin ‘de verhoging van de geestelijke en stoffelijke kracht van de Nederlandse stamverwantschap’ centraal moest staan. Het bleek dat een van de Vlaamse deelnemers, Hippoliet Meert, docent Nederlands en later hoogleraar in Gent, al in 1895 een Algemeen Nederlandsch Verbond had opgericht met als doel verbroedering tussen Vlamingen en Nederlanders en uitwisseling van culturele waarden. Samenwerking lag voor de hand. Het resultaat was het Algemeen Nederlands verbond (ANV) dat 1 mei 1898 officieel in Dordrecht werd gevestigd met Kiewiet de Jonge als secretaris, later vicevoorzitter en vanaf 1906 als voorzitter. Het Vlaamse maandblad Neerlandia werd het orgaan van het ANV en ging naar Dordrecht. Daar vond het blad in Kiewiet de Jonge de redacteur die de denkbeelden over het stambewustzijn naar voren bracht. Hij correspondeerde met Nederlandse verenigingen, consuls en gezanten in het buitenland.

Wereldwijd kwamen er aanmeldingen voor het ANV. Nederlanders als Abraham Kuyper, Schaepman, De Savornin Lohman, andere Eerste- en Tweede Kamerleden, gedeputeerden en hoogleraren melden zich als lid. Het ANV streefde naar leden, mannen en vrouwen, van invloed en betekenis uit alle maatschappelijke kringen, waarbij levensbeschouwing geen rol speelde. De Nederlandse taal zou de onderlinge band zijn waardoor allen werden verbonden. De aandacht zou zich richten op alle gebieden waar Nederlands werd gesproken: Nederland, Vlaanderen, afstammelingen van Vlamingen in Noord-Frankrijk, Zuid-Afrika, de Nederlandse kolonies en een aantal emigratielanden. Enkele activiteiten om het doel te bereiken waren het ondersteunen van het onderwijs in het Nederlands waar dat werd bedreigd, het stichten van Nederlandse bibliotheken in het buitenland, steun van de Nederlandse boekhandel in het buitenland, het verspreiden van het Nederlandse lied, het aanstellen van consuls die het Nederlands beheersten en het bevorderen van het bezoeken van Nederlandse universiteiten door buitenlanders, vooral die uit Zuid-Afrika. Dat alles onder Kiewiet de Jonges motto ‘Met raad en daad voor volk en stam’.

Dordrecht was tot 1925 het centrum van de Groot-Nederlandse gedachte. Een initiatief dat geheel in de lijn van het ANV lag, was de stichting van een leerstoel aan de Columbia University in New York in 1914. Kiewiet de Jonge was de voorbereider en secretaris van het project. Onder de naam ‘Koningin Wilhelmina Lectoraat’ werden in New York succesvol de Nederlandse taal, letterkunde en geschiedenis gedoceerd met Charles van Noppen als eerste lector. In 2014 bestaat deze leerstoel nog als de Queen Wilhelmina Chair.

Toen eind 1899 duidelijk werd dat Engeland de Zuid-Afrikaanse Boerenrepublieken wilde onderwerpen, kwamen Kiewiet de Jonge en geestverwanten in actie. In het woonhuis van een van hen, in de Wijnstraat, richtten zij een Perskantoor van het ANV in. Vanuit deze locatie werden berichten over het verloop en de ware daden van de Engelsen in vele talen over de wereld verspreid. Het woonhuis van Kiewiet de Jonge in de Johan de Wittstraat werd door Engelse geheime agenten geobserveerd. Dat ‘samenzweringskantoor’ was door hen met zwarte kool gemarkeerd. Het Perskantoor was belangrijk en oogstte buiten de Britten grote waardering. Dat werd onder meer duidelijk toen Kiewiet de Jonge een aantal jaren later in de winter van 1908/1909 een reis door Zuid-Afrika maakte en er lezingen hield. Hij was bevriend met president Steyn en andere Boerengeneraals als Kruger, Botha en De la Rey.

Na zijn aftreden als voorzitter van het ANV in 1920 bezochten Kiewiet de Jonge en zijn vrouw twee jaar later hun oudste zoon op Java. Na terugkomst vestigden zij zich in Hilversum om vervolgens in 1929 te verhuizen naar Nyon in Zwitserland, waar hun jongste zoon als psychiater en medisch directeur van een sanatorium werkzaam was. In Nyon bracht Kiewiet de Jonge de laatste jaren van zijn strijdbare leven door. Zijn betekenis voor het bewaren en uitbreiden van de Nederlandse taal en culturele waarden blijkt onder meer uit de tekst van de hem door het ANV uitgereikte oorkonde: ‘Het Nederlandsche volk dankt ook Dr. Kiewiet de Jonge een verhoogd gevoel van eigenwaarde en nationaal zelfbewustzijn’. Het is dan wellicht wrang dat hij, hoewel in de nabijheid van zijn langstlevende zoon en gezin, in Zwitserland werd begraven, ver verwijderd van het Nederlandse taalgebied.

Onderscheidingen
1912 Officier in de Orde van Oranje Nassau bij zijn aftreden als rector van het Dordrechts Gymnasium.
1920 Erevoorzitter van het ANV.
1927 Gouden erepenning van het ANV.

Bronnen en literatuur
Groninger Archieven, Groningen: Registers van geboorte, huwelijk en overlijden.
Regionaal Archief Dordrecht: archieven 150, 256, 489, beeldbank.
F. Netscher, Karakterschets dr. H.J. Kiewiet de Jonge, in: De Hollandsche revue, p. 616-631, september 1898 (Haarlem 1898). Regionaal Archief Dordrecht 489-30581.
C. van Son, Dr. H.J. Kiewiet de Jonge, in: Handelingen en levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde te Leiden (Leiden, 1934/1935), p. 135-145. Regionaal Archief Dordrecht 489-23181.
C. van Son, Ter gedachtenis aan Dr. H.J. Kiewiet de Jonge, in: Morks Magazijn nr. 37, p. 246-252 (Dordrecht 1935). Regionaal Archief Dordrecht 489-32299.

Cees Esseboom (maart 2014)

Sluit het Verborgen Museum