Godefridus Schalcken

1643 (Made)  -  16-11-1706 (Den Haag)

Zelfportret van Godefridus Schalcken uit zijn Dordtse periode, circa 1691, doek, 68,3 x 56,6 cm ovaal (Dordrechts Museum, DM/999/770.

Godfried, of Godefridus (zoals hij in de eigentijdse documenten altijd wordt genoemd) Schalcken werd in 1643 geboren in het Brabantse Made, ten noorden van Breda, als derde kind van Cornelis Schalcken of Schalckius (1610-1674), predikant in Eethen en Drongelen van 1635-1642, daarna te Made en Drimmelen, vervolgens rector van de Latijnse School te Dordrecht van 1654-1674, en van Aletta Lydius (1612-1678). Hij overleed in Den Haag op 16 november en werd begraven 22 november 1706. Gehuwd te Dordrecht op 31 oktober 1679 (buiten gemeenschap van goederen) met Françoisia van Diemen (gedoopt Breda 29 augustus 1661, begraven Den Haag 22 januari 1744), enig kind van Christoffel van Diemen, vaandrig onder sergeant-majoor François van Overschie, later majoor te Hellevoetsluis, en Cornelia Beens.

Ze kregen tien kinderen, waarvan er negen als baby of peuter overleden: Cornelia (gedoopt Dordrecht 22 januari 1681, begraven 15 mei 1681); Cornelis (gedoopt Dordrecht 15 mei, begraven 15 juni 1682); Cornelis (gedoopt Dordrecht 25 oktober 1683, begraven 25 mei 1686), Christoffel (gedoopt Dordrecht 12 december 1685, begraven 19 maart 1987), Cornelia (gedoopt Dordrecht 21 juli 1687, begraven 16 augustus 1687), Godefridus (gedoopt Dordrecht 20 oktober 1688, kort daarna overleden), Françoisia (gedoopt Dordrecht 28 juni 1690, begraven 29 mei 1691), Françoisia (gedoopt Londen 23 november 1692), Godefridus (gedoopt Londen 19 december 1694, begraven 19 februari 1695); Godefridus (gedoopt Den Haag 3 februari 1697, begraven 25 juli 1697).

De in 1692 gedoopte Françoisia, ook wel Françoise genoemd, was het enige kind dat de volwassen leeftijd bereikte; zij werd 4 augustus 1757 in Den Haag begraven. Op 1 juni 1713 trouwde zij daar met de veel oudere Pieter Roman (1676-1733), zoon van hofarchitect Jacob Roman en later zelf hofarchitect in Kassel. Na diens overlijden huwde zij de juist veel jongere in 1729 in Leiden gepromoveerde advocaat Thomas Manasse Cleypole de Norborough (1706-1780), zoon van de predikant van Cillaarshoek Paulus Claypool, maar afkomstig uit een Engelse adellijke familie. Zijn grootvader Thomas Claypool had van koning-stadhouder Willem III het ambt van rentmeester in de baronie van Breda verkregen en was getrouwd met Johanna, dochter van de Dordtse regent Andries Fransz de Witt. In tegenstelling tot de sterfte in zijn eigen gezin bereikten zeven van Godefridus’ broers en zusters de volwassen leeftijd. Sommigen speelden een actieve rol in zijn leven. Zijn broer Balthasar werd predikant in Pernis, Cornelis werd in 1683 benoemd tot schout van Cromstrijen en ook zijn jongste broer Johannes werd predikant, eerst te Sprang en vanaf 1679 te Charlois.

Godefridus ontwikkelde zijn schildersroeping in een dynastie van predikanten en leraren; zijn voorliefde voor Bijbelse scènes en figuren en zijn kennis van letterkundige thema’s draagt daar de sporen van. Overgrootvader Martinus Lydius (circa 1539-1601), wiens ouders om geloofsredenen naar Lübeck waren gevlucht, was predikant in Frankfurt, Antwerpen en Amsterdam geweest alvorens in 1585 hoogleraar theologie aan de nieuwe universiteit van Franeker te worden. Schalckens familie had al lang hechte banden met Dordrecht en was langs allerlei lijnen met het Dordtse regentenpatriciaat verweven. Godefridus’ moeder Aletta Lydius was een dochter van Balthasar Lydius (1577-1629), predikant te Dordrecht sinds 1602, en van diens tweede vrouw Anna van der Mijle, uit een Dordts regentengeslacht. Balthasar Lydius was eerder gehuwd geweest met Aletta Jacobsdr de Witt (1581-1607), dochter van Jacob Fransz de Witt, een oudoom van Johan en Cornelis de Witt. In de tak van Aletta de Witt, die eerder getrouwd was geweest met Isaac van den Corput, predikant te Breda en vervolgens conrector te Dordrecht, werden alle mannelijke afstammelingen predikant. De weduwe van Godefridus’ oom Martinus Lydius (1607-1656, geboren te Dordrecht maar predikant te Breda) trouwde op haar beurt met Ludovicus Gerardus van Renesse, predikant te Breda en hoogleraar theologie en rector van de in 1646 opgerichte illustre school te Breda, zelf weduwnaar van Digna Beens, die op haar beurt weer gerelateerd was aan de familie van Schalckens vrouw.

Godefridus Schalcken was een getalenteerde, ambitieuze en succesvolle kunstschilder met een blijmoedige levenshouding in weerwil van de vele kleine drama’s in zijn persoonlijke leven. Hij werkte achtereenvolgens in Dordrecht, Londen en Den Haag. Hij had gevoel voor de markt en de smaak van zijn publiek, dat in zijn tijd een meer verfijnde stijl wenste, maar hij wist ook wat hij waard was, kon zich permitteren zijn eigen koers te volgen en wist de gevoelens van opdrachtgevers en kijkers efficiënt te bespelen. Zijn schildertechnische virtuositeit uitte zich in de kleurstelling van zijn schilderijen; de sensuele, soms ronduit erotische thematiek; de galante, intieme atmosfeer en de nachtelijke setting met de werking van het kaarslicht.

Als zoon van de Dordtse rector volgde Godefridus de Latijnse school bij zijn vader thuis, aangezien zijn ouders met hun kinderen en kostleerlingen in het schoolgebouw aan de Nieuwstraat woonden. Rond 1660 werd hij leerling van de schilder en schrijver Samuel van Hoogstraten (1627-1678) aan het Marktveld [nu het Scheffersplein] en vervolgens bij Gerard Dou te Leiden (1662-1663). Vermoedelijk vanaf het midden van de jaren 1660 was hij als zelfstandig schilder gevestigd te Dordrecht; tot het overlijden van zijn vader in mei 1674 bij zijn ouders in de Latijnse school, daarna met zijn moeder, broers en zusters in het huis ‘op de Boom’ aan de Boomstraat bij de Groothoofdspoort. In 1675 staat hij vermeld als vaandrager van de schutterij. Zeker vanaf 1682 woonde hij met zijn echtgenote in het huis Wijnstraat 116-118, tegenover de Schrijversstraat. Hij werkte daar met enkele leerlingen, onder wie Carel de Moor (1655-1738) en Arnold Boonen (1669-1729). Ook zijn iets jongere zuster Maria (1645/48-1699) leerde onder zijn leiding schilderen. Van haar is enig werk bekend, maar na haar huwelijk met de Dordtse koopman Severijn van Bracht in 1682 hield zij met schilderen op.

Godefridus begon aanvankelijk als genreschilder in de trant van Gerard Dou en dankzij zijn trefzekere penseel, geslaagde kleurstelling en populaire themakeuze was hij vrijwel onmiddellijk succesvol. Geleidelijk ontwikkelde hij zich tot portretschilder, eerst nog van zwierige, rijk aangeklede jongeren, vervolgens van gezeten Dordtse burgers. Als opvolger van de in 1673 naar Amsterdam vertrokken Nicolaes Maes schilderde hij in opdracht vele leden van de plaatselijke elite, gewoonlijk beide echtgenoten op afzonderlijke schilderijen. Eerst maakte hij portretten op miniatuurformaat, later op het standaardformaat (40/45 x 30/35 cm) geschikt om in de salon op te hangen. Tot de geschilderde personen behoren leden van de Dordtse patriciërsfamilies Van Slingelandt, Teresteyn van Halewyn, De Roovere, De Witt, Hallincq, Hoeufft, Van den Broucke, Van Blijenburgh en Van der Burch en de Leidse families Ruysch, Van der Voort en De la Court. Ook zijn vrouw, zijn vader en moeder en zijn grootvader Balthasar Lydius werden geportretteerd. Al vroeg was Schalcken een vermogend man, mede door de erfenissen die hem en zijn vrouw toevielen. Hij was betrokken bij veel transacties met huizen en grond in Dordrecht en daarbuiten en hij bezat een hofstede in Brandwijck. In 1698 werd hij aangeslagen in de inkomensklasse tussen 1.000 en 4.000 gulden, een stap hoger dan vrijwel alle ambtenaren. Zijn succes blijkt ook uit de prenten van zijn schilderijen die de graveur Jan van der Bruggen in Parijs uitgebracht.

Vanaf de jaren 1680 legde Godefridus zich steeds meer toe op de historieschilderkunst met onderwerpen uit de Bijbel (vooral het Nieuwe Testament), de mythologie, de geschiedenis en de letterkunde. Tegelijk ontwikkelde hij zijn vermogen om kunstlicht van kaarsen, lampen of toortsen weer te geven. Dat werd zijn specialiteit. De lichtwerking in een donkere ruimte maakt zijn schilderijen uniek en onmiddellijk herkenbaar. Ook voor zijn Bijbelse taferelen (zoals de parabel van de vijf wijze en vijf dwaze maagden, Petrus’ verloochening en Maria Magdalena, die hij een tiental malen geschilderd heeft), en voor godinnen en naaktfiguren speelde hij bij voorkeur met kunstlicht. Vooral in zijn Londense periode maakte hij ook zelfportretten met kaarslichtscènes. Op 22 mei 1692 verhuisde hij namelijk naar Londen, waar hij zich met zijn gezin, zijn jongste zuster Barbara en zijn dienstbode Agnieta in de York Buildings in Westminster vestigde, niet ver van het Britse hof. Zijn oomzegger Jacob Schalcken was daar een van zijn leerlingen. Hij kreeg er met name opdrachten tot portretten, genrestukken en stillevens van hoge Engelse adel, zoals Stuart, Spencer en Lowther, van de advocaat en mecenas Acton, en van buitenlandse vorsten, zoals de groothertog van Toscane (de’ Medici), de keurvorst van de Palts te Düsseldorf en koning-stadhouder Willem III.

In de zomer van 1696 keerde hij terug naar de Republiek en vestigde zich aan het Noordeinde in Den Haag waar hij in 1699 het burgerschap verwierf. Zijn reputatie als portretschilder had hem al vanaf 1691 opdrachten van vooraanstaande Haagse families gebracht, zoals Van Aerssen en Pauw. De welgemanierde Schalcken werd spoedig een welvarende society-schilder. Families als Teding van Berkhout, Le Leu de Wilhem, Van der Dussen, Parduyn, Van Schuylenburg, De Jonge van Ellemeet, Van Sypesteyn en Corver lieten zich door hem portretteren, maar ook buitenlandse bezoekers als prins Galitzine en Lady Stanhope. In 1698/99 werd hij benoemd tot hofschilder van de koning van Denemarken Christiaan V en in 1700 kreeg hij van de Admiraliteit op de Maze te Rotterdam de opdracht een reeks portretten van stadhouder Willem III en zijn voorouders te schilderen. In 1703 verbleef hij enige tijd als hofschilder aan het hof te Düsseldorf, waar hij de keurvorst van de Palts en zijn familieleden en de graaf van Bylandt schilderde. De keurvorst vereerde hem met een gouden medaille waarop hij bijzonder trots was; hij beeldde deze af op zijn laatste zelfportret.

Literatuur
Van der Aa, X, letter S, p. 68.
NNBW, X, 879-880.
Arnold Houbraken, De Groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen (Amsterdam 1718-1721), deel 3, p. 175-177.
G.H. Veth, Aanteekeningen omtrent eenige Dordtsche schilders, XXII: Godefridus Schalcken, in: Oud-Holland, 10 (1892), p. 1-16.
Peter Hecht, Candlelight and dirty fingers, or royal virtue in disguise. Some thoughts on Weyerman and Godfried Schalcken, in: Simiolus, 11 (1980), p. 173-187.
Thierry Beherman, Godfried Schalcken (Parijs 1988) [Oeuvrecatalogus].
F.C.M. Gouverneur, Lydius, een geslacht van predikanten, in: Gens Nostra, 64 (2009), p. 283-292.
Anja K. Sevcik (red.), Schalcken. Kunstenaar van het verleiden (Dordrecht: Dordrechts Museum, 2016); hierin vooral: Guido M.C. Jansen, De carrière van een kunstenaar, p. 14-35; aanvullingen en enkele correcties in Wayne Franits, Een zeer beroemde Hollandse kunstenaar. Schalcken in Engeland, 1692-1696, p. 36-49.
Godefridus Schalcken [Duitse versie], digitale biografie, URL: https://de.wikipedia.org/wiki/Godefridus_Schalcken

Willem Frijhoff (april 2016)

 

Sluit het Verborgen Museum