Gilles Dionysius Jacobus Schotel

09-04-1807 (Dordrecht)  -  09-12-1892 (Leiderdorp)

Portret van Gillis Dionysius Jacobus Schotel, zittend met boek in de hand, op 52-jarige leeftijd. Litho van F.A. Heyman, gedrukt bij Tresling & co.; met facsimile van zijn handtekening (Regionaal Archief Dordrecht 551-11076).

Gedoopt op 9 april 1807 in Dordrecht, overleden te Leiderdorp op 9 december 1892. Zoon van Johannes Christianus Schotel, fabrikant en bekende kunstschilder (Dordrecht 14 november 1787 – Dordrecht 21 december 1838) en Petronella Elisabeth van Steenbergen (Dordrecht 7 juli 1781 – Dordrecht 25 oktober 1840). Trouwde 16 januari 1835 in Breda met predikantsdochter Catharina Leonora Johanna de Leeuw (Roosendaal 18 februari 1811 – Leiden 3 april 1877). Uit dit huwelijk twee dochters en drie zoons: Johanna Christina Eleonora Petronella (Breda 25 oktober 1835 – Chaam 4 juli 1843), Leonarda Wilhelmina Johanna (Zwaluwe/Breda 31 oktober 1840 – Chaam 14 juli 1843) beiden overleden aan roodvonk, Johannes Christiaan Leonard Willem (Chaam 4 augustus 1843), Leonard Willem Petrus Dionysus (Chaam 9 april 1845) en Petrus Elija (Tilburg 18 april 1848).

Gilles Schotel werkte als predikant, maar kreeg meer bekendheid door zijn grote interesse voor geschiedenis, vooral voor de zeventiende en achttiende eeuw. Hij schreef een groot aantal boeken, artikelen en biografieën over historische gebeurtenissen en personen en stelde de door hem verzamelde gegevens graag ter beschikking van anderen. Hij beschikte over een uitgebreide historische bibliotheek en vulde die aan met gegevens uit door hem bezochte bibliotheken en archieven. Voor zijn uitgebreide netwerk was Schotel een belangrijke vraagbaak. Zijn brede interesse leidde echter tot een versnippering van zijn onderzoek, waardoor hij volgens eigentijdse critici niet een echt wetenschappelijk niveau bereikte. Zijn wetenschap werd door sommige tijdgenoten niet beoordeeld als analytisch en synthetisch, maar als ‘veelweterij’. Het gegeven dat hij een eredoctoraat van de universiteit Leiden ontving en lid was van een aantal prestigieuze letterkundige genootschappen, onder meer van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en het Koninklijk Instituut, nuanceert dat beeld. Kerkelijk behoorde Schotel tot de middengroep van de hervormde predikanten; dogmatische zaken liet hij aan zich voorbijgaan.

Schotel werd geboren in een welgesteld gezin. Vader was eigenaar van een garenfabriek. Als kleuter bezocht Gilles de kinderschool van juffrouw Van den Bergh boven de Hofpoort; de vakken van de lagere school leerde hij bij meester Otto Schreuders. De volgende stap was de Franse (kost)school van de landelijk bekende Rudolph van der Pijl in de Hofstraat die hem onder meer les gaf in Frans, Duits, Engels, geschiedenis en aardrijkskunde. Daarna volgde de Dordtse Latijnse school met daarnaast privélessen in de genoemde vreemde talen. Toen het duidelijk was dat hij theologie wilde gaan studeren, kreeg hij onderwijs in de zangkunst, privaat onderwijs in Grieks en Hebreeuws, gevolgd door godsdienstonderwijs bij ds. Van Kooten. Volgens Schotel eigen typering was hij in zijn puberteit behept met ‘een zeer sterk geheugen, zeer weinig oordeel, somber en teruggetrokken en met een humeur dat veel te wensen overliet’. Zijn liefste bezigheden waren op een zolderkamertje te zitten lezen en kerkbezoek.

Op 14 september 1825 schreef hij zich in aan de Leidse universiteit. In zijn studententijd vestigde hij de aandacht op zich door een prijsvraag te winnen met een verhandeling over Balthazar Huydecoper (1695-1778), een achttiende-eeuwse taalkundige en taalcriticus. Met een aantal Dordtse studenten richtte Schotel in 1829 het dispuutgezelschap Philomathie op en in hetzelfde jaar ook het leesgezelschap Germania. In augustus 1831 behaalde hij het proponentsexamen, waardoor hij gekwalificeerd was om als predikant te gaan werken. De eerste jaren werd er geen beroep op hem gedaan. Schotel had zich intussen weer in Dordrecht gevestigd en verdiepte zich daar in de stedelijke en landelijke geschiedenis. Dat hij zijn proefschrift over Jacoba van Beieren niet voltooide, deed hem in wetenschappelijke kringen geen goed.

Pas in 1835 werd hij als predikant beroepen en aangesteld in de gemeente Lage Zwaluwe in Noord-Brabant. Vanwege zijn bijziendheid, hij was bijna half blind, was hij genoodzaakt zijn preken uit het hoofd te leren. Schotel publiceerde veel in deze periode. Op 25 februari 1836 werden zijn verdiensten als historicus en theoloog erkend door zijn benoeming tot lid van het Koninklijk Instituut voor Wetenschappen en Schoone Kunsten (de voorganger van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) waarvan hij lid bleef tot de opheffing daarvan door Thorbecke in oktober 1851. In 1838 werd hij door de universiteit Leiden met een eredoctoraat beloond, waarmee zijn naam als historicus definitief was gevestigd. Zijn benoeming in 1841 inde protestantse gemeenschap Chaam, Alphen en Baarle-Nassau betekende een grotere standplaats. Koning Willem II bezat over die plaatsen het patronaatsrecht. Die was dan ook op de hoogte van zijn benoeming en er ontstond een aangenaam contact tussen vorst en predikant. De koning gaf te kennen hem tot hofprediker te willen benoemen, maar dat heeft Schotel weten te weigeren. Willem II wilde hem naar het groothertogdom Luxemburg (tot 1867 Nederlands) overplaatsen om daar de protestantse gemeente te dienen.

In oktober 1846 aanvaardde Schotel het predikambt in Tilburg waar hij zestien jaar werkzaam zou zijn. Koning Willem II bezocht daar trouw de door Schotel geleide diensten en ontving hem in zijn paleisachtige woning. Schotel werd zijn vertrouweling en adviseur, onder meer bij de aankoop van kunst en belangrijke handschriften. De koning benoemde hem in december 1846 tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Schotel onderhield met een groot aantal geleerden contact, maar evenzeer met dichters en schrijvers als Tollens, Beets en Bosboom-Toussaint. In 1853 zag hij een van zijn initiatieven gerealiseerd: een protestantse kostschool binnen de rooms-katholieke Tilburgse gemeenschap. Een lang leven was dit Protestants Instituut niet gegund, want wegens gebrek aan leerlingen werd de school in 1865 gesloten.

Toen hij in staat werd gesteld met emeritaat te gaan, verliet Schotel de stad en trok met zijn gezin in 1862 naar Leiden; hij voelde zich bepaald geen Brabander en miste de academische wereld. Zijn vurige wens (sinds 1834) benoemd te worden tot hoogleraar, bibliothecaris van een universiteitsbibliotheek of archivaris van een belangrijk archief, was nog altijd niet vervuld en zou dat ook niet worden. Steeds werd hij afgewezen wat soms aan zijn grote bijziendheid werd toegeschreven, soms aan zijn leeftijd, maar waarschijnlijker is dat Schotel in oude structuren bleef denken, terwijl de universiteiten zich bezighielden met het uitsplitsen van de letterenfaculteit in een aantal subfaculteiten. Of was hij in eigentijdse ogen meer liefhebber van geschiedenis dan cultuurhistoricus?

In Leiden ging Schotel zich volledig inzetten voor de redactie van het Biografisch woordenboek der Nederlanden waaraan hij op verzoek van redacteur A.J. van der Aa (1792-1857) al vanaf 1851 deelnam. Toen na de dood van Van der Aa ook diens opvolger K.J.R. van Harderwijk (1822-1860) was overleden, vroeg de uitgever van dit project Schotel de redactie op zich te nemen waardoor hij Brabant vaarwel kon zeggen. In Leiden kon hij nu uitsluitend zijn hobby beoefenen. Door het wegvallen van geleerde medewerkers met wie hij uitvoerig correspondeerde en die hem van teksten voorzagen, werd de voltooiing van het werk een solo-onderneming. Van de 27 delen redigeerde Schotel er 24, waarvoor hij honderden biografieën schreef. De grote omvang van dit werk, waarvoor steeds minder geschikte medewerkers beschikbaar waren, leidde tot een aanzienlijk aantal fouten in de biografieën die Schotel produceerde. In 1878 leverde hij het werk als afgerond op.

Zijn echtgenote was in 1877 overleden en Schotel was door een verder toegenomen bijziendheid en andere lichamelijke klachten niet in staat zelfstandig te blijven wonen. Hij ging op kamers op het Rapenburg bij de weduwe van een Leidse pedel. Zijn werkkracht en doorzettingsvermogen waren danig aangetast. Hij liet zijn bibliotheek en antiquiteiten veilen en wilde Leiden verlaten. In mei 1878 verhuisde Schotel naar Dordrecht en woonde daar in de Boomstraat bij zijn jongste broer Jan Willem van Steenbergen Schotel, geneesheer en verloskundige. Toch produceerde Schotel in deze hernieuwde Dordtse periode vele artikelen in kranten en tijdschriften. Er kwamen ook enkele grotere publicaties zoals in 1879 Twee wandelingen door Dordrecht waaraan hij meewerkte. In 1884 verscheen Resolutie der regering te Dordrecht na den moord van Willem I in 1584.

In april 1889 verruilde hij Dordrecht voor Oegstgeest en trok daar in bij zijn enige overlevende zoon Petrus Elija en diens gezin. Deze was echter zelden thuis vanwege zijn werkzaamheden als betaalmeester in Nederlands-Indië. Schotel vereenzaamde, was heel slecht ter been en kon niet langer zelf lezen en schrijven. Zijn schoondochter las hem de krant voor en noteerde wat Schotel haar dicteerde. Het gezin verhuisde enkele malen; Schotel overleed in 1892 te Leiderdorp. De waardering van het Tilburgse stadsbestuur voor de predikant Schotel kwam tot uiting in 1923 door in de nabijheid van het door hem opgerichte Protestants Instituut het Schotelplein in te richten.

Enkele werken
Commentatio de meritis Balthazaris Huydecoperi in linguam liteasque Belgicas (Leiden 1831).
Leven, gedrukte werken en handschriften  van Cornelis van Alkemade en Pieter van der Schelling (Breda 1833).
Leven van den zeeschilder J.C. Schotel (Haarlem 1840).
Letter- en oudheidkundige avondstonden (Dordrecht 1841).
Kerkelijk Dordrecht, twee delen (Utrecht 1841-1845).
Beschrijving der stad  Dordrecht, samen met J. Smits Jz. (Dordrecht 1844-1845).
Floris I en II van Pallant, graven van Culemborg (Arnhem 1846).
Tilburgsche avondstonden (Amsterdam 1850).
De illustre school te Dordrecht (Utrecht 1857).
Bijdrage tot de geschiedenis der kerkelijke en wereldlijke kleeding, twee delen (‘s-Gravenhage 1854-1856).
Een keizerlijk, stadhouderlijk en koninklijk bezoek in de O.L. Vrouwe-kerk te Dordrecht (Amsterdam 1859).
Geschiedenis der rederijkers in Nederland, twee delen (Amsterdam 1862-1864).
Geschiedenis van den Heidelbergschen catechismus (Amsterdam 1863).
Het Oud-Hollandsch huisgezin der zeventiende eeuw (Haarlem 1868).
Het maatschappelijk leven onzer vaderen in de zeventiende eeuw (Haarlem 1869).
De openbare eeredienst der Nederl. Hervormde Kerk in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw (Haarlem 1870).
Vaderlandsche volksboeken en volkssprookjes van de vroegste tijden tot het einde der 18e eeuw, twee delen (Haarlem 1873-1874).

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht, archieven 6, 150, 168, 256, 489.
G.D.J. Schotel, Familieboek, opgesteld in 1848 (Regionaal archief Dordrecht, archief 168, inv. nr. 63).
Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek, deel 3, p. 1146-1149.
W.N. du Rieu, Levensbericht van Dr. G.D.J. Schotel, in:  Levensberichten der afgestorven medeleden van de Maatschappij der Nederlandsche letterkunde (Leiden 1893).
A. Vroon, Gilles Dionysius Jacobus Schotel (1807-1892), cultuurhistoricus of liefhebber van geschiedenis?, in: J.G. Schutte, De geschiedenis aan het volk verteld: populaire protestants-christelijke geschiedschrijving in de negentiende en twintigste eeuw  (Hilversum 2008).
J. Rock, De eeuw van een snuffelaar, in: De negentiende eeuw, tijdschrift van de Werkgroep De negentiende eeuw, deel 37, p. 57-80 (Hilversum 2013).
J. de Jong-Slagman, Hofpredikers in de negentiende eeuw (Hilversum 2013).

Cees Esseboom (december 2013)

Sluit het Verborgen Museum