Gijsbert de Lengh

28-08-1678 (Dordrecht)  -  07-12-1755 (Dordrecht)

Handtekening van Gijsbert de Lengh

Gijsbert de Lengh werd op 28 augustus 1678 in Dordrecht Nederlands Hervormd gedoopt en overleed 7 december 1755 in Dordrecht. Hij werd 11 december in de Grote Kerk begraven. Gijsbert was de zoon van Matthijs Willemsz de Lengh, ook wel Leng of Lengen (Dordrecht gedoopt 30 januari 1644-Dordrecht begraven 9 februari 1682) meester zeilmaker, later winkelier (in boter, kaas, olie, zeep, ‘niets uijtgesondert’) en pachter van belastingen, en Elisabeth Gijsbertsdr Boom (Dordrecht gedoopt 1646-Dordrecht begraven 26 oktober 1731). Hij ondertrouwde 15 februari en werd 2 maart 1738 door ds. W.J. Snethlage in Dordrecht met Margrieta Staelsmit, ook Staalsmit, (Dordrecht doop 16 december 1682-Dordrecht 7 april 1752, begraven 12 april) in de echt verbonden. Zij was de dochter van Jacob Staelsmit, ook Stael-Smitt, (doop Dordrecht 22 april 1652-overleden na 1686, maar voor 1721) notaris en procureur, en Johanna van der Prep (Dordrecht doop 10 december 1657-Dordrecht begraven 17 februari 1728), ondertrouw 19 mei 1680 in ’s-Gravendeel, gehuwd 2 juni 1680 in Dordrecht.

Uit het huwelijk van Gijsbert en Margrieta werden geen kinderen geboren. Margrieta was de weduwe van Roeland Kuijter, koopman en vroegere compagnon van Gijsbert de Lengh. Van haar vier kinderen is Arent in november 1735 als laatste overleden.

Dordrecht kent Gijsbert de Lengh enigszins als koopman, reder, moleneigenaar en eigenaar van huizen en landerijen in Dordrecht en in de regio. Hij leeft echter vooral voort als stichter van een Hof voor behoeftige oude vrouwen en enkele arme gezinnen. Zijn succesvolle handelsgeest maakte hem een vermogend man. Hij spreidde zijn investeringen weloverwogen, zelfs aan de Dordtse walvisvaart nam hij deel. Door zijn belangen in de scheepvaart en de houthandel bewoog hij zich in de goedgesitueerde Dordtse kringen. Zijn culturele belangstelling bleek uit het feit dat hij wandschilderingen liet aanbrengen in zijn huis aan de Nieuwe Haven en uit de rococo-inrichting van de Regentenkamer in zijn Hof.

Gijsbert was drie jaar toen zijn vader in 1682 overleed. Het gezin woonde in de Nieuwstraat, in Gijsberts geboortehuis, schuin tegenover de Hofstraat. Hij groeide op in het gezelschap van zijn oma, moeder en oudere zusje Elisabeth (Dordrecht gedoopt 23 juni 1677-Dordrecht begraven 19 november 1763). Zusje Catharina en broertje Willem waren respectievelijk in 1676 en 1681, minder dan twee maanden oud, overleden.

Door de vriendschap met Roeland Kuijter (Dordrecht doop 5 maart 1681-Dordrecht begraven 1 november 1731), zoon van een koperslager en handelaar in ijzeren platen, ontwikkelde hij een goede handelsgeest. Samen met Kuijter begon hij een handel in hout. Zij kochten in 1703 een erf in het Wilgenbos en aan de Noordendijk voor de opslag van hout. De handel was succesvol en in 1707 kochten Gijsbert en compagnon Kuijter molen De Pauw achteraan op de Noordendijk. In 1717 bouwden de twee ondernemers een tweede zaagmolen, De Arent, in het Kromhout, halverwege de Sint Jorispoort en de Vriesepoort. In 1728 liet Gijsbert zaagmolen De Jager aan de Noordendijk bouwen. De behoefte aan zaagmolens was groot en in 1729 schafte Gijsbert molen De Valk met loodsen en houtberging aan.

De compagnons kochten een huis op de kade van de Nieuwe Haven ‘bij de lange houten brug’. Door in 1710 het aangelegen huis te kopen, ontstond een dubbel pand. Daar zou het fraaie huis Nieuwe Haven 44 gebouwd worden waar de in 1709 getrouwde Roeland Kuijter ging wonen. De ongetrouwde Gijsbert betrok enkele jaren later met moeder en zuster een groot huis aan de Houttuinen 36 bij de kraan Roodermond. Later huurde Gijsbert de ruimte bij de kraan om daar aangevoerde goederen te kunnen opslaan. Hij was regent van het Leprooshuis en was door zijn grondbezit ook heemraad in de Strijense Polder. De Lengh was evenals menige welgestelde Dordtenaar in het bezit van een buitenverblijf, de buitenplaats Wijkestein in de polder Nieuw Cromstrijen in de Hoekse Waard.

Compagnon Kuijter overleed in 1731 en diens echtgenote Margrieta Staalsmit erfde zijn omvangrijke beleggingen. Het huwelijk dat Gijsbert en Margrieta Staalsmit een aantal jaren later in 1738 in gemeenschap van goederen sloten, kan door de wederzijdse belangen een zakelijk karakter hebben gehad. Op 18 maart 1738 stelden zij bij notaris Pieter de Ruijter een langstlevendentestament op. Indien Margrieta als eerste overleed, zou Gijsbert binnen een jaar 12.000 gulden uitkeren aan Margrieta’s neef Sixtus Staalsmit (Dordrecht gedoopt 6 april 1687) of aan diens kinderen. Zou Gijsbert als eerste overlijden, dan zou zijn enige familielid, zijn ongetrouwde zuster Elisabeth, dat bedrag ontvangen.

Gijsbert verliet zijn woning aan de Houttuinen 36 waar hij sinds 1711 woonde. Met zijn zuster Elisabeth trok hij in bij Margrieta op de Nieuwe Haven 44. Gijsbert en echtgenote lieten zich inspireren door de zogenaamde ‘Hoetbijbel’ uit 1728, waarin een drietal kunstschilders geschiedenissen uit het Oude en Nieuwe Testament hadden geïllustreerd. Speciaal de reeks over Jozef van de bekende Haagse kunstschilder Gerard Hoet (1648-1733) boeide hen. Aan de hand van diens afbeeldingen werden in de salon wandschilderingen aangebracht.

Ten aanzien van de scheepvaart had De Lengh diverse belangen. Hij was (mede)eigenaar van een aantal schepen, huurde en verhuurde schepen en was medereder in een walvisvaarder voor één of meer seizoenen. De Lengh was een voorzichtige reder. Hij zocht voornamelijk een gedeeld rederschap of huurde schepen. Gijsbert vervoerde met eigen of gehuurde schepen vooral hout vanuit de Baltische Staten. Hij was volledig eigenaar van onder andere het fluitschip St. Maria, De juffrouw Elisabeth en De jongen Arent van Dordt. Regelmatig verkocht hij een schip en bleef dan zelf nog voor een deel mede-eigenaar. Zo verkocht hij in 1740 een belang van ¾ deel in De jongen Arent van Dordt en behield ¼ deel.

De Dordtse walvisvaart rondom Spitsbergen floreerde in de 17de eeuw. In de 18de eeuw werden er slechts een of twee walvisvaarders door Dordtenaren uitgerust. Investeerders konden daarin per vangstseizoen deelnemen, zelfs voor 1/32ste of 1/64ste deel van de kosten, de zogenaamde partenrederij. In de periode 1745-1770 was Gijsberts buurman, Cornelis Bax, de enige reder die vanuit Dordrecht actief was met de walvisvaart. Hij rustte één of twee walvisvaarders uit: de Pro Patria en D’ Stad Dordrecht. Gijsbert nam deel in het uitrusten van D’ Stad Dordrecht. Samen met een aantal Dordtse zakenlieden vormde De Lengh het bestuur van de Commercie en Assurantie Compagnie, een onderneming ter bevordering van de handelsvaart en het bestrijden van schade door transport en brand.

Margrieta de Lengh-Staalsmit overleed in 1752 en Gijsbert bleef met zijn zuster Elisabeth kinderloos achter. De kinderen van Margrieta waren overleden en neef Sixtus Staalsmit en echtgenote waren zonder kinderen overleden. Gijsbert besloot zijn vermogen aan te wenden voor het stichten van een hof voor arme vrouwen. Hij kocht in 1753 voor 520 gulden de woning van de overleden François Teresteyn van Halewijn (1676-1751), pensionaris van Dordrecht. Dit ‘groot, hegt en sterk huijs’ lag voorbij het Bagijnhof net voorbij de brug en had een stalling en koetshuis aan de kant van de Vriesestraat; de huidige Lenghenstraat was nog gracht.

Hij stuurde de Staten van Holland een rekest waaruit zijn plannen blijken: ‘te stigten een hofje van sestien wooningen voor oude behoeftige vrouwen en nog vijf á ses wooningen voor behoeftige huisgesinnen’. Alle woningen zijn gratis en iedere vrouw krijgt jaarlijks honderd gulden. In plaats van de zes gezinswoningen wil De Lengh er achteraf acht bouwen. Die bewoners zullen per jaar vijftig gulden ondersteuning krijgen. Geen van de bewoners van de 24 huizen zal ten laste komen van de diaconie.

Zijn verzoek om vrijstelling van belasting op de bouwmaterialen en verponding (onroerend zaakbelasting voor de Hof) wordt gehonoreerd omdat de Hof ‘ad pios usus’ (voor godvruchtig gebruik) wordt gesticht. Voor de bewoners vraagt hij jaarlijkse vrijstelling van belasting op twintig tonnen turf, voor een Haagse zak tarwe en op een ton bier. Die wordt verleend, evenals later door de Dordtse Oudraad. Vrijstelling van ‘collaterale successie van kapitaal’ (vererving in de zijlinie) voor door Gijsbert overgemaakt kapitaal aan de Hof voor bewoners en huizen, werd afgewezen. Die successiebelasting bleek later 11% te zijn van Gijsberts nalatenschap die op circa 90.000 gulden werd vastgesteld.

Gijsbert maakte oplevering van de Hof niet mee, maar in een brief aan zijn zuster had hij aangegeven welke onroerende goederen hij wilde nalaten ten behoeve van de Hof. De pachten en opbrengsten vormden een solide bron voor de financiële steun aan de hofbewoners en het onderhoud. Het betrof een zestal boerderijen en circa 55 ha aan landerijen.

Gijsbert had twee regenten voor zijn Hof aangewezen: mr. Pieter Hoeufft en Leendert Roos. Dit tweetal werd aangevuld met David Crena en Elisabeth de Lengh die in 1756 de Hof met Regentenkamer officieel in gebruik stelden. De Regentenkamer was vanaf het begin een deftige kamer en gaf de Hof aanzien. De Hof staat dan ook bekend als De Regentenhof of Lenghenhof.

Gijsbert de Lengh werd op 11 december in de Grote Kerk begraven. Het begraafboek vermeldde: ‘in zijn leeven stigter en aanlegger van den Regente hofje’. Het was een deftige begrafenis met zeven koetsen extra. Gijsberts naam leeft voort in Dordrecht in namen als Lenghengang, Lenghenstraat en Lenghenhof.

Bronnen en literatuur
RAD: toegang 3, 11, 20, 27.
http://www.dordtenazoeker.nl
NNBW, deel 8 (Leiden 1930), p. 1033.
P.H. van der Wall, Handvesten, privilegiën, vrijheden, voorregten, octrooijen en costumen (Dordrecht 1790).
A. Balm-Kok, Gijsbert de Lengh, houtkoopman en reder (Dordrecht 2017).

Cees Esseboom (februari 2019)

 

 

 

 

Sluit het Verborgen Museum