Gerrit van Hoek

13-09-1880 (Dubbeldam)  -  1958 (Den Haag)

Portret van Gerrit van Hoek, 1911 (‘Baas Hoek’).

Gerrit van Hoek werd 13 september 1880 in Dubbeldam geboren als zoon van Gerrit van Hoek (Puttershoek 1844-Dordrecht 1913), arbeider/tuinman, en Adriana Kok (Dubbeldam 1843- Dordrecht 1913) en overleed in mei 1958 in Den Haag. Hij trouwde 10 oktober 1901 in Dordrecht met Sophia Elisabeth de Man (Dordrecht 1878 -Dordrecht 1935) dochter van Matthijs Bertus de Man (Dordrecht 1853-Dordrecht 1922), gasmetermaker, en Lena Huisman (Krimpen a/d Lek 1857-Dordrecht 1939). Het gezin kreeg vier kinderen: Adriana (19 augustus 1902-8 juli 1918), Matthijs Bertus (1906), Gerrit Nicolaas (1908) en Leonard (1912), allen geboren in Dordrecht.

Gerrit van Hoek had een groot doorzettingsvermogen waardoor hij dankzij grote praktische vaardigheden succesvol kon worden als zelfstandige ondernemer. Gerrit (‘Baas Hoek’ voor zijn werknemers) was meer vakman dan zakenman. Hij was een knap organisator met technisch inzicht en bovenal iemand met een sociale instelling. Zijn werknemers deelden in het succes van zijn ondernemingen. Zijn pionierschap op sociaal gebied tegenover zijn werknemers leidde tot grote bezwaren, zowel van de kant van de gezamenlijke werkgevers als van de arbeidersverenigingen. Gerrit van Hoek was verantwoordelijk voor de bouw van een nieuwe Dordtse woonwijk: het gebied tussen de Mariastraat, Dubbeldamseweg, Mauritsstraat en Mariannestraat (bekend als het Oranjekwartier) en was belangrijk bij het bebouwen van Het Land van Valk.

Gerrit bezocht de lagere school pas laat en onregelmatig, van leerplicht was nog geen sprake. Veel tijd bracht hij door op de akkers waardoor hij meehielp het gezinsinkomen aan te vullen. Op 11 jarige leeftijd verliet Gerrit de lagere school en ging in de leer als timmerman bij een meubelmakerij. Na een jaar volgde een leertijd bij een schoenmaker. Uiteindelijk mocht hij timmerman worden. Gerrit leerde snel en hij beheerste als 17 jarige het timmer- en stelwerk van woningen en schuren. Na het faillissement van zijn werkgever vond hij werk als timmerman bij Van Dongen en Van Hoven, een groot aannemersbedrijf. Hij hielp bij de bouw van een steenzagerij op een terrein langs de spoorlijn naar Rotterdam, niet ver van de spoorbrug. Gerrit begon er als 18 jarige en in de avonduren volgde hij bij een architect lessen in bouwkundig tekenen.

Hij verliet de steenzagerij en werd timmerman met de ambitie meer te doen dan het dagelijkse werk. Op de Zuidendijk wilde de gemeente een terrein in erfpacht geven voor de bouw van een drietal eenvoudige huizen. Gerrit interesseerde diverse personen en kon het geheel laten financieren. Hij maakte de werktekeningen voor de drie woningen en hierna volgden er nog zes. De huizenmarkt zakte echter in en Gerrit kon de huizen niet verkopen of verhuren. Alles werd verkocht tegen een te lage prijs en Gerrit was terug bij waar hij begon.

Gerrit vond nieuw werk door na overleg met de grondeigenaar zes woningen te bouwen in de hoek Dubbeldamseweg / Mariastraat / Mauritsstraat. Dat werd een succes en hij mocht negen woningen van een grotere omvang bouwen, gevolgd door een zestal herenhuizen. In de Sofiastraat had Gerrit intussen een timmerwinkel gebouwd. In 1906 had hij een groot aantal mensen in dienst. Een bijzondere opdracht was de bouw van het paviljoen van Chili met een toren van 28 meter hoog voor de Wereldexpositie van 1910 in Brussel. De Chileense opdracht lag bij een Antwerpse architect, een kennis van Gerrit. Deze wilde het bedrijf van Gerrit vanwege diens snelheid en uitstekende kwaliteit van bouwen. Het moest na vier weken gereed zijn. Door de vele orders werd de werkplaats in de Sofiastraat te klein en Gerrit breidde die in 1910 uit tot een timmerfabriek met de nieuwste werktuigen in de nabijgelegen Frederikstraat.

In 1911 bleek dat Gerrit meer opdrachten had dan hij aan kon. Er was weer behoefte aan uitbreiding, maar de financiën ontbraken. In de persoon van de heer A.J. Lebret (1852-1925) vond hij de gewenste investeerder. Die stortte 30.000 gulden en benoemde een directeur en commissaris. Dat jaar werd de N.V. Electrische Timmerfabriek De Industrie in de Frederikstraat opgericht. De uitbreiding leidde ertoe dat het terrein tussen Frederikstraat, Willemstraat en Alexanderstraat geheel met woningen kon worden bebouwd. In 1913 telde de onderneming ongeveer 150 werknemers. De productie werd op een moderne manier aangepakt. Er reden lorries op rails door de fabriek langs de machines en via goederenliften konden die ook naar een andere verdieping. De sociale voorzieningen waren voor die tijd opzienbarend. Gerrit voerde als een van de eersten de vrije zaterdagmiddag in, hij betaalde het hoogste loon, stelde een overlegcommissie in (een soort ondernemingsraad), er functioneerde een bedrijfsbrandweer, een muziekgezelschap evenals een reisvereniging en een toneelgroep. Dit alles leidde ertoe dat de beste timmerlieden bij hem solliciteerden. De arbeidersbeweging zag dit met ongenoegen aan. Andere ondernemers keurden deze zaken eveneens af als zou het ‘een verwennen van de arbeider’ betreffen. Gerrit kreeg daardoor in 1913 last met het werkgeversverbond en de georganiseerde arbeidersbeweging omdat hij ‘hun de wind uit de zeilen nam’. Hij ‘bond de arbeiders met gouden ketenen’, zo meenden de werkgevers (Volksstem 1913). Die verwijten aan zijn adres ontving Gerrit terwijl hij voorzitter was van de Timmerliedenpatroonsverening, bestuurslid van de Nederlandse Aannemersbond (NAB) en later ook van de Bond van Timmerfabrikanten in Nederland. Gerrit van Hoek wijzigde zijn beleid echter niet. De goede arbeidsvoorwaarden, de efficiency en de geleverde kwaliteit waren er gezamenlijk de oorzaak van dat er grote orders werden verkregen.

 De voorraad hout was groot en om die op te slaan had Gerrit aan de Staart aan het water een grote loods gehuurd. De aanvoer vanuit schepen kon daardoor gemakkelijk worden verwerkt. De mobilisatie die in de zomer van 1914 werd afgekondigd, voorspelde nog geen kwaad voor de timmerfabriek. De zaak floreerde en voor de woningbouw werden orders in het gehele land afgewerkt. Drie werknemers werden gemobiliseerd, waarop Gerrit samen met de fabrieksraad besloot het loon van de gemobiliseerden volledig door te betalen. Later moest ruim de helft van het personeel zich naar zijn mobilisatiebestemming begeven. Voor al deze werknemers werd het loon tot het einde van de mobilisatie doorbetaald.

De fabriek moest met een wankele bezetting orders uitvoeren voor het leger: ledikanten, tafels en stoelen werden gevraagd. Dat kon voorlopig zo doorgaan doordat er grote houtvoorraden aanwezig waren. De vooruitzichten waren echter slecht vanwege oningewerkt personeel, vervoersproblemen en een optredende stagnatie in de woningbouw. In 1915 nam zelfs het aantal opdrachten zodanig af, dat overwogen werd tot inkrimping over te gaan. In 1917 begonnen de houtvoorraden af te nemen, voornamelijk door legerorders, en de vervanging van het hout bleek moeilijk. De woningbouw lag vrijwel stil; de fabriek werkte met verlies. Dat jaar besloot Gerrit te stoppen. Na overleg met financier Lebret werd dit besluit wereldkundig gemaakt. Ook hier bleek Gerrits sociale inslag, want niemand werd ontslagen voor hij nieuw werk had. De machines, gereedschappen en voorraden werden geveild. Vanwege de schaarste van materialen bracht die verkoping veel op. Lebret had zijn investering meer dan terugontvangen. Het fabrieksgebouw was nog niet verkocht. Dat werd door Lebret voor een gulden aan Gerrit overgedragen en deze ontving van hem bovendien een jaarsalaris. Binnen drie maanden na de liquidatie hadden alle personeelsleden weer een baan. Gerrit was nu eigenaar van de fabriek en liet die verbouwen. In eerste instantie kwam er een margarinefabriek in, later een grote bakkerij. De Rotterdamse eigenaars huurden het pand, maar na enkele maanden kochten zij het.

Als voorzitter van de aannemersbond had Gerrit in 1920 als landelijke bemiddelaar een belangrijk aandeel bij de pogingen de uitsluiting van bouwvakarbeiders door opdrachtgevers tegen te gaan. De uitsluiting hield in: het niet laten uitvoeren van bouwprojecten zolang de voorgelegde collectieve arbeidsovereenkomst door de bouwvakkers niet was geaccepteerd. Gerrit van Hoek zette zich ook in voor een gezamenlijk bouwproject van Dordtse aannemers om te voorzien in de woningnood na de Eerste Wereldoorlog. Minderkapitaalkrachtige personen konden een huis kopen met een gemeentelijke hypotheek onder rijksgarantie. Het project had betrekking op de huizen op het Land van Valk. Gerrit was daar een aantal jaren voorzitter van de Vereniging van Eigenaren. Het ging verkeerd toen Gerrit aan de Mauritsstraat bouwde. Tijdens de bouw daalde de huizenprijs met circa 80% tot ver onder de hypotheekwaarde. De bouw stagneerde en Gerrit werd slechts af en toe als arbiter ingeschakeld als er conflicten op bouwgebied waren. Tot 1930 heeft hij nog wel op bescheiden schaal gebouwd.

Tijdens de crisis van de jaren 30 begon Gerrit in 1933 aan de Voorstraat 431-433 kort bij de Leuvebrug een sigarenzaak die een redelijk bestaan opleverde. Hij woonde daar met zijn zoons Matthijs en Leo en zijn vrouw die op 17 mei 1935 overleed. In 1954 verkocht hij de winkel en trok in bij zijn zoon Gerrit in Dordrecht. Later verhuisde hij naar zoon Matthijs in Den Haag, waar hij in 1958 overleed.

Bronnen en literatuur
RAD, archief 256, 489, adresboeken 1938 en 1949.
L. van Hoek, Baas Hoek 1880-1958 (Dordrecht 1988).

Cees Esseboom (december 2016)

 

 

Sluit het Verborgen Museum