Gerardus Kuipers

16-08-1748 (Dordrecht)  -  11-07-1815 (Dordrecht)

Silhouet  van dominee Gerard Kuipers (Regionaal Archief Dordrecht 551_30512)

 

Gerardus (Gerard) Kuipers werd geboren te Dordrecht op 16 augustus 1748, overleden aldaar op 11 juli 1815. Gerard was het tweede kind uit het tweede huwelijk van Gerrit Kuipers, munter, amateurgeleerde en ‘hoofdgaarder van ’s lands gemeene middelen’ (gedoopt in Dordrecht op 8 oktober 1706- overleden aldaar op 14 maart 1784, begraven in de Dordtse Grote Kerk op 20 maart), en van Johanna van de Graeff (begraven in de Grote Kerk op 23 augustus 1748). Voor Gerard werd in 1747 een meisje geboren (Aletta) dat nog hetzelfde jaar overleed. Op 28 april 1785 ging hij in Vlissingen in ondertrouw met Sara Jacoba Ackermans (geboren in 1744, overleden in Dordrecht in 1809). Het huwelijk vond plaats in Middelburg op 4 mei 1785. Uit dit huwelijk geen nakomelingen. Gerard had een halfbroer, de schilder en dichter Dirk Kuipers (1733-1796), geboren uit het eerste huwelijk van zijn vader.

Gerard Kuipers was vertaler, oriëntalist en theoloog. Hij was predikant in een viertal gemeenten. Het langst stond hij in zijn geboortestad: van 1787 tot zijn overlijden in 1815. Hij had een brede wetenschappelijke belangstelling. Naast de theologie gold de oosterse taal -en oudheidkunde als zijn voornaamste interesse, op welk terrein hij een aantal belangrijke boeken vertaalde en schreef. Hij achtte de zending, de verbreiding van Gods woord, van groot belang. Hoewel steeds getrouw aan het evangelie en de Hervormde Kerk, nam hij ook kennis van de onder invloed van de Verlichting opkomende Bijbelkritiek. Hij kende andersdenkenden gelijke rechten toe, maar: ‘de leer der verzoening te kennen en te prediken voor zondaren naar het evangelie van Jezus Christus was en bleef zijn hoofdbezigheid, troost en vermaak’. Hij stond bekend als een lichamelijk zwak en bangelijk man, maar als geestelijk veerkrachtig.

Al zeer jong gaf Gerard er blijk van een uitstekend verstand te bezitten. Op vierjarige leeftijd kon hij lezen. Zijn ontwikkelde vader Gerrit droeg aanzienlijk bij aan de opvoeding en ontwikkeling van zijn zoon en onderwees hem in met name de wis- en natuurkunde. Na de lagere school bezocht Gerard de Latijnse school aan de Molenstraat te Wageningen onder het rectoraat van de geleerde Caspar Friedrich Hachenberg (1709-1789). Na deze opleiding te hebben voltooid, was hij werkzaam op een notariskantoor te ’s-Gravenhage. Het verlangen te studeren groeide echter in hem. Nadat hij enig voorbereidend onderwijs in de godgeleerdheid had ontvangen van een Waalse predikant, schreef hij zich in 1767 in als student theologie aan de universiteit van Utrecht. Onderricht ontving hij van onder anderen de geleerden Frans Burman (1708-1793), Sebald Rau (1725-1818) en Gisbertus Bonnet (1723-1805).

In Utrecht werd hij lid van het theologisch gezelschap ‘Tandem fit surculus arbor’ (‘uiteindelijk wordt het takje een boom’). Kuipers werd zowel door zijn leermeesters als door zijn medestudenten zeer gewaardeerd. Hij bezat grote belangstelling voor en kennis van de oosterse literatuur en gaf in 1772, nog tijdens zijn studie, een tweetal publicaties op dat terrein uit. Ook vertaalde en becommentarieerde hij Reis naar de legerplaats van de grooten emir en beschrijving van de zeden en gewoonten der woestijnbewoonende Arabieren (Utrecht 1780) van de Franse diplomaat en oriëntalist Laurent d’ Arvieux (1635-1702). Naar het algemeen oordeel van de deskundigen was Kuipers een van de meest vooraanstaande ‘geleerde oosterlingen’ (oriëntalisten). Kuipers kende volgens Schotel alle reisbeschrijvingen naar de Arabische wereld, maar heeft die nooit zelf bezocht.

Zijn in de geleerde wereld algemeen gewaardeerde proefschrift waarop hij in 1773 bij professor Rau promoveerde, was getiteld Dissertatio philologica continens observationes ad varia Codicis Veteris Testamenti loca (Filologische verhandeling over verscheidene plaatsen uit het Oude Testament). Op 23 oktober van datzelfde jaar werd hij proponent (beroepbaar als predikant) en op 29 november 1773 werd hij beroepen naar Zuilen (Utrecht), welk beroep hij aanvaardde. Hij werd daar op 6 februari 1774 bevestigd als predikant, in aanwezigheid van zijn hoogleraar theologie Bonnet, die deelnam aan de ‘handoplegging’.

Kuipers bleef niet lang in zijn eerste gemeente en aanvaardde al snel een beroep uit Nieuwerkerk aan den IJssel van 10 oktober 1774. Zijn afscheidspreek in Zuilen hield hij op 18 december. In Nieuwerkerk werkte hij ruim zes jaar, van 8 januari 1774 tot 19 augustus 1781. Voor beroepen uit Axel (1780) en Veere (1781) bedankte hij. Toen hem op 13 mei 1781 voor de derde maal een beroep uit Vlissingen bereikte, aanvaardde hij dit tenslotte. Hij werd daar bevestigd op 2 september 1781. Vlissingen beviel Kuipers goed. Dat bleek ook uit het feit dat hij later voor een beroep uit Arnhem, een standplaats met aanzien, bedankte. Hij onderhield er onder andere een vriendschap met de Vlissingse dichter Jacob Bellamy (1757-1786). Een zwakke constitutie en inspanningen ondermijnden zijn gezondheid al kort na zijn aantreden in Vlissingen. Na slechts drie diensten te hebben geleid, werd hij ernstig ziek. Eerst op 20 januari 1782 kon hij zijn werk hervatten.

In Vlissingen werd hem in 1782 het lidmaatschap aangeboden van het in 1769 opgerichte Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen (nu Koninklijk Zeeuws Genootschap der Wetenschappen). Kuipers was hier zeer actief en vervulde de functie van tweede en later van eerste secretaris. In de Verhandelingen van het Genootschap publiceerde hij meerdere stukken. Dit lidmaatschap en de omgang met ambtgenoten, waaronder de latere Leidse hoogleraren Brouërius Broes (1757-1799) en Jona Willem te Water (1740-1822), stimuleerden zijn belangstelling voor de wetenschap.

Hij werd in zijn leven lid van meerdere genootschappen zoals van het op 19 december 1797 opgerichte Nederlandsche zendeling genootschap. Evenals zijn vader Gerrit Kuipers was hij lid van het in 1773 opgerichte Provinciaal Utrechts Genootschap van Kunsten en Wetenschappen. Kuipers was ook lid van het uit 1785 daterende Haagsche Genootschap ter verdediging van de voornaamste waarheden van den christelijke godsdienst inzonderheid tegen derzelven hedendaagschen bestrijders.

Op 14 maart 1784 overleed zijn vader die hem en zijn halfbroer Dirk elk bijna 6000 gulden naliet. Zijn dood betekende dat Gerard nu de zorg voor zijn halfbroer op zich nam. Dirk verbleef op kosten van zijn vader in het Stads Krankzinnig- en Beterhuis te Dordrecht, vanwege zijn alcoholisme en verkwistend gedrag. Gerard nam nu de kosten van Dirks verblijf op zich en nam later, op 10 februari 1792, ook de zorg voor Dirks dochter Aletta op zich.

Voor Arnhem had hij bedankt, maar een beroep van de Hervormde Gemeente uit zijn geboortestad Dordrecht van 19 oktober 1786, weerstond hij niet. Op 17 december hield hij in Vlissingen zijn afscheidspredikatie om op 7 januari 1787 in Dordrecht aan te treden. Bij zijn vertrek uit Vlissingen schonk men hem de vierentwintigdelige Vaderlandsche geschiedenis van historicus Jan Wagenaar (1709-1773). In Dordrecht werd hij enthousiast verwelkomd door zowel stadsbestuurders als de Hervormde gemeente. Kuipers trad eraan met een ‘leerrede’ over Hebreeën XII. Met name het onderricht van de jeugd had zijn belangstelling.

Over zijn ambtswerk in Dordrecht is weinig bekend. Bij de catechisatie trachtte hij ‘de weetlust op te wekken en eerbied voor God te kweeken’. Hoewel steeds zwak van gezondheid ‘…bleef (hij) alle deelen zijner ambtsbediening met ijver en naauwgezetheid waarnemen’. Soms zocht hij ontspanning op Killezigt, in de Wieldrechtse polder bij Dordrecht, het buitenverblijf van de heer Ocker Gevaerts van Geervliet (1735-1807), onder andere gedeputeerde naar de Staten van Holland, meermaals burgemeester van Dordrecht en vooraanstaand patriot. Hij vond hier steeds een warm welkom. Kuipers was ook bevriend met Theodoor van Kooten (1749-1813), de patriottische dichter en hoogleraar Latijn en geschiedenis te Franeker. Kuipers schreef aan Van Kooten onder meer dat hij ‘nimmer twijfelde aan het Goddelijk plan en het hiernamaals’.

Ook in Dordrecht schreef hij meerdere boeken en vertalingen naast zijn werk als predikant. Zijn gehoor in Dordrecht was ‘niet talrijk, maar wel uitgelezen’. Met name de meer ontwikkelde Dordtenaren konden zijn preken waarderen. Kuipers doorspekte zijn preken met wetenschappelijke wetenswaardigheden. Later bedankte Kuipers tot vreugde van zijn gemeenteleden voor een beroep uit Amsterdam. In Dordrecht ontstond vriendschap met de op 29 maart 1801 bevestigde, uit Vlissingen beroepen ds. Gerard van Kooten (overleden Dordrecht 3 augustus 1841). Van Kooten was een van Kuipers executeurs-testamentair.

Tussen 21 en 30 november 1813 beschoten Franse troepen Dordrecht. Kuipers ontvluchtte de stad naar Killezigt om op 12 december van dat jaar zijn werkzaamheden te hervatten. Enkele jaren later, op 11 juli 1815, overleed Gerard Kuipers onverwacht. De kritiek van sommigen op zijn werk had hem ertoe gebracht een groot aantal van zijn handschriften en aantekeningen te vernietigen of na zijn dood te laten verbranden.

Enkele publicaties
Reis naar de legerplaats van de grooten emir en beschrijving van de zeden en gewoonten der woestijnbewoonende Arabieren van de Franse diplomaat en oriëntalist Laurent d’ Arvieux (vertaling, Utrecht 1780).
Leven van Bellamy (Vlissingen 1790).
Brief van Irenophilus over de voorrede van zijn vriend Broes, voor zijn uitgave der leerredenen van Prof. Curtenius over den Heidelbergschen catechismus (1790).

Literatuur
NNBW, deel 9, kolom 561-562.
Van der Aa, deel 10, p. 427-429.
G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht vanaf 1572, eene bijdrage tot de geschiedenis van de vaderlandsche Hervormde Kerk sedert het jaar 1572 (deel 2, Utrecht 1845), p. 601-624.
Biografisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde (1888-1891).
Biografisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland (deel 5, 1943).

Roel Leentvaar (augustus 2017)

 

Sluit het Verborgen Museum