Friederich Willem van der Leeuw

23-01-1763 (Stevensweert)  -  20-06-1801 (Dordrecht)

Het levensmotto van Friederich Willem van der Leeuw

Friederich (Frederik) Willem van der Leeuw werd 23 januari 1763 Nederlands Hervormd gedoopt in het vestingstadje Stevensweert (Stevenswaard, Limburg, indertijd in Staats-Opper-Gelre gelegen) en werd 20 juni 1801 in Dordrecht begraven. Hij was de zoon van Abraham Jacobus van der Leeuw (doop Stevensweert 8 november 1730-Stevensweert 6 juli 1810) baljuw van de heerlijkheden Stevenswaard en Ohe & Laak (Midden-Limburg), en Amelie Louise Koberlingh (overleden Stevensweert 19 april 1819).

Fredrik ondertrouwde/trouwde in Dordrecht op 1/17 april 1791 met Huberta Maria van Schellebeek (doop Dordrecht 29 mei 1767–Dordrecht 6 maart 1797) dochter van Bartholomeus van Schellebeek (doop Dordrecht 27 juni 1726–Dordrecht 23 februari 1790) geneesheer, schepen en oudraad van Dordrecht, en Johanna Maria Lentfrink (Vianen circa 1730–Dordrecht 7 maart 1792). Uit het huwelijk werden geboren: Abraham (doop Dordrecht 31 januari 1792). Trouwt 4 augustus 1813 te Utrecht met Urselina Martha Feith, 24 jaar; Bartholomeus (doop Dordrecht 1 augustus 1793-begraven Dordrecht 21 september 1793) en Amelia Louisa (doop Dordrecht 15 oktober 1796–Apeldoorn 7 juli 1879).

Frederik Willem van der Leeuw was een briljante student geneeskunde die als arts en lector in de anatomie een waardevolle aanwinst was voor de Dordtse medische stand. Als lector deed hij belangrijk meer dan zijn instructie hem voorschreef. Zijn brede interesse, onder meer in de menselijke anatomie en in de natuur- en scheikunde, zorgden voor baanbrekende lezingen in het Theatrum Anatomicum. Al op de leeftijd van 38 jaar overleed deze buitengewoon ontwikkelde geneesheer en lector. Het was ruimschoots te vroeg om zijn levensmotto ‘de evenmensch een duurzaam nut te geven’ uit te dragen.

In het overwegend rooms-katholieke vestingstadje Stevensweert (Midden-Limburg) groeide Frederik op in een Nederlands Hervormd gezin waarin twaalf kinderen werden geboren. In zijn woonplaats ontbrak een Latijnse school en Frederik volgde het onderwijs in Latijn en Grieks bij de kundige De Schorsin, kapelaan T.H. de Schorsin van de plaatselijke parochie. Na voldoende vorderingen vertrok Frederik naar de universiteit van Groningen om zijn klassieke vorming te voltooien en zich vervolgens in te schrijven voor een studie geneeskunde. Daar kreeg hij onderwijs van de destijds beroemde hoogleraren Petrus Driessen (1753-1828) voor scheikunde, Wolther Forsten Verschuir (1739-1793) voor practische geneeskunde en Wijnold Munniks (1744-1806) voor anatomie en chirurgie. Als student blonk Frederik uit in kennis van het menselijke lichaam, zowel wat betreft de anatomie als de natuur- en scheikundige processen in het menselijke lichaam. Dat kwam tot uiting in 1783 bij zijn openbare verdediging van zijn Dissertatio Chemico Physiologica de bilis indole ejusque in Chylificatione utilitate [Scheikundig-fysiologische dissertatie over de aard van de gal en de rol ervan bij de vorming van chijl (boedvormend vocht)]. Hij betoogde daarbij dat hem uit nauwkeurige proeven de ware werking van de menselijke gal was gebleken. De gal bleek geen zeepachtige eigenschap te hebben, wat in zijn tijd een nieuw gezichtspunt betekende.

Begin 1785 verdedigde hij zijn proefschrift Positiones Anatomico-Chirurgiae de ossium vulneratorum et fractorum consolidatione (Anatomisch-chirurgische stellingen over de handelingen die verricht moeten worden om gewonde en gebroken beenderen te herstellen) en promoveerde tot doctor in de geneeskunde. Van der Leeuw vestigde zich in 1785 in Dordrecht als een van de elf geneesheren in de stad. Hij was ambitieus en toen de Oudraad op 21 februari dat jaar de ontslagaanvraag van Jean Baptiste Crol (1745-1823) als lector anatomicus et chirurgicus accepteerde, solliciteerde hij naar deze functie. Hij deed dat op niet-alledaagse wijze, namelijk via een notariële akte. Notaris J.H. Schultz van Haegen maakte Frederiks verzoekschrift aan de Oudraad op. Die benoemde Van der Leeuw op 12 oktober 1785 op een jaarwedde, zoals zijn voorganger ontving: 150 gulden. Daarnaast hield Frederik zijn praktijk als arts. In november 1785 aanvaardde hij het ambt met een redevoering in het Latijn opgedragen aan de regerende burgemeesters.

Het lectoraat was een overblijfsel van het professoraat in de anatomie dat in 1694 werd opgeheven. De schijn van een Dordtse Illustre school werd ermee hooggehouden, maar zij was dat al een eeuw lang niet meer. Een professoraat of een lectoraat werd aangeboden om een wetenschapper te behouden of aan te trekken. Van der Leeuw ging zijn openbare lessen in de ‘ontleedkunst’ geven op de maandagmiddag. De plaats van handeling was het Theatrum Anatomicum boven de IJzeren Waag aan de Beurs (later het Scheffersplein). Het onderdeel anatomie in de lessen was de afgelopen decennia op het tweede plan geraakt. Dr. J.B. Crol constateerde al dat hij in zijn zesjarig ambt meer lijken openbaar had ontleed dan zijn voorgangers in de daaraan vooafgaande 24 jaren. Van der Leeuw wilde de ontleedkunde alle aandacht geven. In de winter deed hij dat, in verband met de houdbaarheid van de lijken, op de beschikbare lichamen; de rest van het jaar werkte hij met anatomische preparaten.

Naast het voorbereiden en het verzorgen van de praktijklessen en zijn financieel noodzakelijke activiteiten als geneesheer vond Frederik Willem de tijd voor letterkundige werken. In 1785 beantwoordde hij de vraag van het Amsterdamse Geneeskundig Genootschap ‘Servandis civibus’: ‘Wat is voor het menschlyk ligchaam vergif?’ Voor zijn betoog ontving hij de zilveren gedenkpenning: ‘voor F.W. van der Leeuw geneesheer te Stevenswaarde’, zo luidde het juryrapport. Enkele jaren later, in 1788, ontving Van der Leeuw de gouden gedenkpenning van ‘Servandis civibus’ voor zijn antwoord op de vraag: ‘in hoe verre men by gebrek van de apotheek uit kelder en keuken de vereischte geneesmiddelen ook tegen de zwaarste ziektens en kwaalen, zo uit als inwendig zou kunnen bekomen, mits uitzonderende kina, kwik, opium, staal, delfzuuren, rhabarber en ipecacoanha (= braakwortel)?’ De ‘uitzonderende’ producten zijn dus toegestaan om de ziekte te bestrijden en daarbij kunnen zaken uit ‘de kelder en keuken’ worden gebruikt. Van der Leeuw beschreef in een lijvig essay een groot aantal ziekten en gaf aan met welke middelen en hulpmiddelen die bestreden moesten worden.

Een tweetal jaren later deed Van der Leeuw opnieuw van zich spreken door het vertalen van een invloedrijk werk. In 1786 verscheen het proefschrift The Connection of Life with Respiration (Het verband tussen leven en ademhaling) van de Engelse geneesheer Edmund Goodwyn (1756-1829). Deze gaf daarin argumenten voor kunstmatige beademing van personen met hartstilstand ten gevolge van zuurstoftekort. Goodwyn verwierp reanimatiemaatregelen als hittebehandeling van het slachtoffer en het plaatsen van bloedzuigers. Van der Leeuw zag het belang, vertaalde het werk in 1790 in het Nederlands en bereikte daarmee dat andere onderzoekers de argumenten verder uitwerkten.

Een jaar later trouwde Frederik met de Dordtse Huberta Maria vanuit zijn woning op de Boom (de behuizing bij de Boombrug). Zijn aanstaande echtgenote woonde op de Groenmarkt in een pand tegenover de Visbrug, dat in de tweede helft van de twintigste eeuw voorzien werd van een gouden os op het dak. Het echtpaar heeft na het overlijden van Frederiks schoonmoeder (1792) altijd dit grote huis bewoond. Het voorname pand had een stal en koetshuis met een vrije uitgang aan de Varkenmarkt.

Zijn anatomische voordrachten werden ondersteund door preparaten van delen van het menselijk lichaam. Spraakmakend was in de winter van 1794 zijn ontleding van het menselijke zenuwstelsel volgens de methode van de beroemde Duitse geneesheer Samuel Thomas von Sömmering (1755-1830). Ook de schei- en natuurkunde sloegen nieuwe wegen in waarin Van der Leeuw sterk was geinteresseerd. Hij nam kennis van de theorieën van J. Priestley (1733-1804), J. Ingenhousz (1730-1799) en A. Lavoisier (1743-1794), speciaal op het gebied van de pneumatische scheikunde, waarbij lucht in verdunde of in verdikte vorm wordt gebruikt voor het genezingsproces.

Voor zijn lezingen schafte hij een aantal apparaten aan bij J.H. Onderdewyngaart Canzius die in 1797 te Delft een fabriek had opgericht voor wis-, natuur-, schei- en geneeskundige instrumenten. In de winter van 1798 begon Van der Leeuw met ‘praktikale voorlezingen’ waarin hij aantoonde dat nieuwe theorieën op het terrein van de scheikunde en natuurkunde correct waren. In de drie daarop volgende winters behandelde hij met groot succes de soorten gassen, de calorimetrie, de bepaling van het zuurstofgehalte van lucht, de samenstelling van water en de ontbinding ervan, de gazometrie (onder andere het bepalen van de zuurgraad, het koolzuurgas- en zuurstofgehalte van bloed) en de eudiometrie (het bepalen van de samenstelling van gasmengsels).

Zijn overlijden betekende voor de stad het verlies van een kundige arts en een gedreven lector. Hij werd 20 juni vanuit zijn woning aan de Groenmarkt om 10 uur ‘s morgens begraven. Zijn levensmotto was:
Dit myn voornaame doel – ja ’t leven van myn leven,
Is om myn evenmensch een duurzaam nut te geven.

Bronnen en literatuur
RAD: archief 3, inv. 152, pp 60 en 295; 11; 20, 256.
Utrechts Archief: archief 1231, inv. 30.
BWN: deel 11 (Haarlem 1865), p. 260-262.
www.dordtenazoeker.nl
Handelingen van het Geneeskundig Genootschap, deel 10 (1785) en deel 13 (1788) (Amsterdam).
J. Bodel, Bericht van het overlyden van den Dordrechtschen geneesheer en lector F.W. van der Leeuw, in: Konst- en Letterbode nr. 27 (Haarlem 1801).

Cees Esseboom (september 2019)

 

Sluit het Verborgen Museum