Frederike Meyboom

26-03-1871 (Rotterdam)  -  23-04-1971 (Den Haag)

Foto met handtekening van zuster Meyboom op ongeveer 55-jarige leeftijd (Regionaal Archief Dordrecht 552-F84-49).

Geboren op 26 maart 1871 in Rotterdam als oudste van vier kinderen uit het op 18 mei 1865 te Amsterdam gesloten huwelijk van officier van gezondheid bij de marine Willem Frederik Meyboom (1831-?) en Louise Henriette Friedrika Hamacher (1839-1925). Frederike Meyboom bleef ongehuwd. Zij overleed op 23 april 1971 in Den Haag.

Frederike (roepnaam Fré) Meyboom wist al vroeg dat zij als vrouw zinvol werk wilde doen, daartoe geïnspireerd door voorvechters van de vrouwenemancipatie zoals arts Aletta Jacobs (1854-1929) en dichteres Henriette Roland Holst (1869-1952). Zij was verpleegster, hoofdverpleegster, adjunct-directrice en directrice van ziekenhuizen in Amsterdam, Den Haag, Zutphen, Dordrecht en Rotterdam. Zij was op haar vakgebied een pionierster die vaak tegen de gevestigde opvattingen, methoden en belangen inging, wat meestal niet in dank werd afgenomen. Zij zette zich ook succesvol in voor verbetering van de patiëntenzorg en de opleiding en arbeidsomstandigheden van het verplegend personeel.

Toen zij nog klein was, vertrok vader Meyboom zonder gezin voor drieënhalf jaar naar Nederlands-Indië. Haar moeder ging met Fré en de twee jaar jongere Louise in Den Haag wonen. Na zijn terugkeer werd vader Meyboom benoemd tot chef van het Militair Hospitaal in Hellevoetsluis. In 1882 verhuisden zij naar Breda, waar in 1883 nog een broertje werd geboren De vader was toen al gepensioneerd. Frederike was in de ogen van haar ouders een lastig en impulsief meisje en zij besloten haar naar een kostschool in Bonn te sturen in de hoop dat ze als een ‘dame’ terug zou keren. Het was typerend voor Frederike dat zij achteraf sprak van de ‘weinig nuttige maar zorgeloze jaren van mijn jeugd’. Na haar terugkeer in Nederland in 1889 was zij voldoende getemd om haar debuut te maken in de Bredase en later Haagse kringen.

Intussen was zij de 21 gepasseerd en naar de maatstaven van die tijd al aardig op weg een oude vrijster te worden. Maar Frederike kon zich niet neerleggen bij een onzichtbaar en leeg bestaan. Zij hoorde over vrouwen als Aletta Jacobs en Henriette Roland Holst; twee pioniers van de vrouwenemancipatie. Door een toevallige ontmoeting met Anna Wichers, een kennis uit marinekringen, die in de Haagse Polikliniek werkte en rond 1886 bekendheid kreeg als eerste medisch analist, zag Frederike een mogelijkheid haar tijd nuttig te besteden op een manier die haar ouders konden accepteren. In die tijd werkten nog twee andere dames uit ‘nette’ families bij de kliniek. Het werk was onbetaald, want nette dames werkten niet voor een loon. Voor het eerst zag zij wat het betekende om arm te zijn. Zij bezocht arme gezinnen in krotten en zag hoe vrouwen hun kinderen maar amper konden voeden.

Enige tijd later verpleegde zij bijna een jaar lang een zieke vriendin. Deze ervaring deed haar en anderen inzien dat zij geschikt was voor het beroep van verpleegster, alleen moest ze haar ouders nog overtuigen. Uiteindelijk mocht zij zich door tussenkomst van haar moeder inschrijven als leerling-verpleegster in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Zij hoopte dat door hiermee in te stemmen deze bevlieging wel over zou gaan. Met gevoel voor drama nodigde Frederike haar vriendinnen uit om vervolgens al haar wereldse attributen zoals glacé handschoenen, waaiers, balboekjes en corsages aan hen uit te delen. Deze dingen zou ze in haar verpleegstersbestaan toch niet meer nodig hebben.

Frederike had haar roeping gevonden. Toch stond het huilen haar vaak nader dan het lachen. De slechte werkomstandigheden en onhygiënische toestanden in de ziekenhuizen en de onaangename hoofdverpleegsters maakten haar het leven zuur. Vijf van haar collega’s in het Burgerziekenhuis probeerden zelfmoord te plegen. Zij nam ontslag, wat haar door de directeur niet in dank werd afgenomen. Sterker nog, hij beloofde haar te zullen dwarsbomen in haar studie en verdere loopbaan. Slechts tien dagen na haar ontslag was zij weer aan het werk. Haar vader had zich intussen neergelegd bij de beroepskeuze van zijn dochter. Hij kende de directeur van het gemeenteziekenhuis in Den Haag, dr. Roessingh, en had hem verteld van de problemen in het Amsterdamse ziekenhuis. In het Haagse ziekenhuis waar zij ging werken, voelde Frederike zich op haar gemak. De sociale omstandigheden voor de verpleegsters waren weliswaar verre van optimaal maar de sfeer was er goed.

In 1900 kwam Frederike in contact met dr. Arnold Aletrino (1858-1916), schrijver van de Beweging van Tachtig, huisarts en docent criminele antropologie. Hij werd bekend door zijn roman Zuster Bertha (1891) en zijn strijd voor de verbetering van de arbeidsomstandigheden van verpleegsters. In datzelfde jaar werd Nosokomos, de Nederlandsche Vereeniging tot Bevordering der Belangen van Verpleegsters en Verplegers opgericht. Bij de oprichtingsvergadering was onder anderen ook Aletta Jacobs aanwezig. Nosokomos stond naast de in 1893 opgerichte Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging. In tegenstelling tot de Bond, die meer de nadruk legde op de plichten van verpleegkundigen, zette Nosokomos zich in voor hun rechten, een betere beloning en betere arbeidsomstandigheden. Daarnaast streed Nosokomos, net als de Bond, voor een betere en gestandaardiseerde opleiding voor verpleegsters.

Frederike haalde in 1901 bij het Haagse Ziekenhuis haar diploma Ziekenverpleging A. Zij was toen al als hoofdverpleegster werkzaam in dat ziekenhuis. Twee jaar later werd zij aangesteld als adjunct-directrice van het Oude en Nieuwe Gasthuis te Zutphen. Korte tijd later volgde haar benoeming tot adjunct-directrice bij het Dordtse Gast- of Ziekenhuis. Ze bracht nog geen vier jaar van haar leven in Dordrecht door (van 1 september 1904 tot maart 1908), maar heeft daar in die korte tijd een onuitwisbare indruk gemaakt. In 1877 was het middeleeuwse Sacramentshuis aan de Visstraat verlaten voor het nieuwe ziekenhuis aan het Beverwijcksplein. Toch trof zuster Meyboom er bij haar komst op hygiënisch gebied nog middeleeuwse toestanden aan zoals spinnenwebben aan de plafonds, rokende turfkachels en kattenbakken in de ziekenzalen, operateurs die werkten met niet-gesteriliseerde instrumenten, een kachel die tijdens operaties bijgevuld werd en patiënten die voor en na de operatie de vele trappen op- en afgedragen moesten worden. En er was welgeteld één badkuip voor de patiënten en daarin werd ook de afwas gedaan.

Burgermeester A.R. Zimmerman (1869-1936) had op haar komst aangedrongen vanwege de vele sterfgevallen tijdens operaties in het ziekenhuis. Maar geneesheer-directeur dr. J.G. Meilink (1851- 1916) zat niet op haar komst te wachten en stak zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken. ‘Ik heb u niet geroepen. Ik was volmaakt tevreden met de bestaande toestand zoals die hier tot nu toe geweest is. Gaat u maar wat rondlopen en kijkt u maar of er iets voor u te doen valt. De burgemeester heeft deze verandering gewild; ik heb u niet nodig’. Bovendien zag hij niet in dat een verpleegster iets over een patiënt hoefde te weten. Zij was immers geen arts en een verpleegster met medische kennis was alleen maar lastig. Frederike liet zich niet uit het veld slaan. Integendeel, zij voelde zich uitgedaagd om het vertrouwen dat burgemeester Zimmerman in haar had gesteld, niet te beschamen.

Dr. Meilink was niet de enige die niet blij was met haar komst. Het personeel zag een lucratieve handel door haar gedwarsboomd. Zij verdienden immers geld bij door het geven van spuiten, het verstrekken van slaapmiddelen, het verkopen van wijn en tabak en het achterwege laten van wasbeurten. Zuster Meyboom kreeg carte blanche om het verplegend personeel dat zich misdroeg – hierbij moet men denken aan vrijende paartjes in kasten en zelfs op de operatietafel en verpleegsters die ziekenhuiseigendommen ontvreemdden – op staande voet te ontslaan. Haar onbuigzame karakter (zij was bij conflicten niet altijd even tactvol) en haar kordate optreden bij alle misstanden die zij aantrof, maakten het zelfs noodzakelijk haar politiebewaking te geven. Gelukkig kon zij rekenen op de steun van de burgemeester en later ook op die van rentmeester C.G. van Maarseveen (1837-1912). Zij werd bijgestaan door hoofdzuster J.R. de Lange die met haar was meegekomen uit Zutphen. Stapje voor stapje won zij terrein. De ongeschoolde ziekenoppassers verdwenen en werden vervangen door leerling-verpleegsters. Van het oude personeel bleef alleen het keukenmeisje Lena aan. Ook de geneesheer-directeur vertrok na een niet zo stille wenk van het bestuur om de toestanden in andere ziekenhuizen te ‘bestuderen’. Zijn opvolger, dr. W. van IJzeren (1870-1936), bleek meer begrip te hebben voor de rol van de verpleegsters. Vanaf dat moment werden cursussen gegeven aan de leerling-verpleegsters.

Zuster Meyboom en dr. Van IJzeren brachten het ziekenhuis op een medisch aanvaardbaar peil, hoewel het gebouw inmiddels al weer aan vervanging toe was. De eerste voorbereidingen voor de bouw van een nieuw ziekenhuis aan de Bankastraat heeft zuster Meyboom nog meegemaakt. Het is in dit verband aardig om de veranderingen tussen 1904 en 1908 benoemd en becijferd te zien in de gemeentelijke jaarverslagen. Het verslag over het jaar 1904 meldt dat tegelijkertijd met het aanstellen van zuster Meyboom de huismeester en huismeesteres van het gasthuis, A.J. Vellekoop en echtgenote, eervol werden ontslagen. Zij kregen een bedrag van 1650 gulden wachtgeld en nog eens 400 gulden als compensatie voor het moeten verlaten van hun woning. Adjunct-directrice Meyboom kreeg een salaris van 700 gulden per jaar. In 1904 was de gemiddelde ligtijd in het ziekenhuis 42 dagen, die was in 1908 teruggebracht tot 31. De verbeterde hygiënische omstandigheden zullen hier zeker een rol hebben gespeeld. Het aantal operaties steeg van 52 in 1904 tot 180 in 1908.

In 1908 werd zij door burgemeester Zimmerman opnieuw gevraagd om directrice van een ziekenhuis te worden. Ook nu weer kon zuster Meyboom zijn verzoek niet weigeren, hoewel zij liever in Dordrecht was gebleven. Zij werd directrice van het Bergwegziekenhuis in haar geboorteplaats Rotterdam, de stad waar Zimmerman nu burgermeester was. Zij zou daar tot haar pensionering in 1923 blijven.

Frederike Meyboom bleef zich ook na haar pensioen inzetten voor de ziekenverpleging. Zij maakte studiereizen, gaf lezingen en was tussen 1947 en 1959 hoofd van de Psychiatrische Voorlichtingsdienst. De opleidingen en arbeidsomstandigheden van de verpleegkundigen verbeterden mede door haar toedoen. Voor haar vele verdiensten werd ze in 1951 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. In 1971 werd zij bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau. Kort voor haar verjaardag zond de NCRV het programma Zuster Meyboom 100 jaar uit, waarin zij Jan van Hillo enthousiast vertelde over haar leven. Slechts enkele weken later, op 23 april 1971 overleed zij.

Bronnen en literatuur
Verslagen van den toestand der gemeente Dordrecht 1904-1908 (Dordrecht, 1905-1909).
Mimi Rijpstra-Verbeek, Dienend in het wit; het levensverhaal van zuster F. Meyboom (Lochem 1968).
E.A. de Muinck Keizer-Mook en F. Bok-von Weiler, Verplegen onder de hanebalken; herinneringen aan zuster Meyboom, in: Kwartaal en Teken van Dordrecht 11 (1985) 2/3, p. 33-41.
Jan Alleblas, Frederike Meyboom: de Florence Nightingale van Dordrecht, in: 8+ magazine, maandblad voor het personeel van de gemeente Dordrecht, 2 (1989) 8, p. 12-13.

Helen Stroosma (juni 2014)

Sluit het Verborgen Museum