François Valentijn

17-04-1666 (Dordrecht)  -  06-08-1727 (Den Haag)

Portret van François Valentijn op 38-jarige leeftijd door P. van der Gunst naar een schilderij van A. Houbraken (Regionaal Archief Dordrecht 551_15739).

François Valentijn is op 17 april 1666 in Dordrecht geboren en op 22 april gedoopt als Franciscus Valentijn, de oudste van zeven kinderen van Abraham Valentijn (ca. 1645-1712), conrector van de Latijnse school te Dordrecht en Maria Rijsbergen (1645-1706/1712). Hij overleed op 6 augustus 1727 in Den Haag en werd op 11 augustus begraven in de Grote Kerk te Dordrecht. Op 12 oktober 1692 trouwde François in Ambon met de uit Brielle afkomstige Cornelia Snaats (1660-1717), weduwe van de burger-kapitein en raad van justitie in Batavia, Henrik Leydekker ( ?-1690). Door zijn huwelijk met Cornelia kreeg François de zorg over vier minderjarige kinderen, te weten: Aletta, Gerard, Petronella en Bartholomeus Leydekker. Cornelia schonk François twee eigen dochters: Maria (1694 – ?) en Cornelia Valentijn (1701-1779).

Valentijn groeide op in Dordrecht en studeerde godgeleerdheid in Utrecht en Leiden. In 1684 werd hij benoemd als predikant in Oost-Indië en in 1685 arriveerde hij op zijn standplaats in Ambon. Na negen jaar keerde Valentijn met zijn gezin terug naar Dordrecht. In 1706 vertrok hij opnieuw naar Indië. Na een meningsverschil daar met de gouverneur van Ambon keerde hij uiteindelijk in 1713 voorgoed terug naar Nederland. In 1722 en 1726 publiceerde hij zijn bekende omvangrijke overzichtswerk Oud en Nieuw Oost-Indiën. Daarnaast speelde Valentijn een belangrijke rol in de discussie rond de Bijbelvertaling in het Maleis.

François Valentijn is geboren en getogen in Dordrecht, het gezin woonde op de Knolhaven bij de Lange IJzerenbrug. Hij doorliep de Latijnse School waar zijn vader conrector was in acht jaar. Het leek waarschijnlijk dat hij evenals zijn vader als leraar op de Latijnse school zou komen. Op 27 april 1680 kwamen de curatoren en vader Valentijn namelijk overeen dat bij diens vertrek François hem als preceptor van de laagste klas zou opvolgen. Het liep anders. François ging godgeleerdheid, wijsbegeerte en Oosterse talen studeren, aanvankelijk in Utrecht, vanaf 1682 in Leiden. In 1684 legde hij het preparatoir examen voor aankomende predikanten in de classis Dordrecht met succes af.

Nog in 1684 – François was negentien jaar oud – werd hij in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (V.O.C.) benoemd als predikant op Ambon, het handels- en bestuurlijke centrum van de Molukse archipel. In 1685 vertrok hij met het schip Moerkappel van Hellevoetsluis naar Batavia.

In Ambon-stad predikte hij in het Maleis en verzorgde hij de opleiding van lokale Ambonese assistent-predikanten, terwijl hij ook de inspectie uitvoerde over ongeveer vijftig kerkelijke gemeenten in de regio. In Valentijns dagen werden de catechese en liturgie in de Molukken gepresenteerd in het zogeheten Hoog-Maleis, dat door de meeste lokale christenen nauwelijks werd begrepen. Valentijn verzette zich hevig tegen het gebruik van het Hoog-Maleis en propageerde daarentegen het Ambon-Maleis, omdat volgens hem dit lokale dialect werd begrepen door alle christelijke gemeenschappen in Indië. Hij zou zelf ook een Maleis-Nederlands woordenboek hebben samengesteld en Maleise stukken in het Nederlands hebben vertaald.

Tijdens zijn verblijf op Ambon was er een aantal collega-predikanten die Valentijn verweten, dat hij te veel aandacht besteedde aan zijn echtgenote en dat hij zijn verdere kost verdiende met woekerhandel. Hiernaast werd hij beschuldigd van het ontvreemden van officiële kerkdocumenten. Zijn relatie met andere collega’s verslechterde doordat Valentijn een hekel had aan zijn taak om christelijke gemeenten op andere eilanden te bezoeken.

In 1693 had Valentijn tijdens een bijeenkomst met de kerkenraad van Batavia aangekondigd, dat hij de complete Bijbel had vertaald in het Ambon-Maleis. De kerkenraad weigerde echter Valentijns vertaling te publiceren, omdat zij twee jaar eerder de opdracht voor de vertaling van de Bijbel in het zogeheten Hoog-Maleis had gegund aan dominee Melchior Leydecker (1642-1721) in Batavia.

In 1694-1695 repatrieerde Valentijn met de Waddingsveen. Terug in Nederland zocht hij steun voor zijn Bijbelvertaling. Er ontbrandde een felle discussie in welke Valentijn en onder meer de Nederlandse Hervormde synodes van de provincies Noord- en Zuid-Holland tegenstand boden aan de kritiek van Leydecker en de kerkenraad van Batavia. Valentijns vertaling zou in een gebrekkig dialect van het Maleis zijn geschreven. De synodes in Nederland waren echter niet in de positie om deel te nemen aan het debat, doordat de meeste deskundigen zich in Indië bevonden. Valentijn dankte zijn steun in Nederland overigens voornamelijk aan zijn persoonlijke netwerk.

Op 8 maart 1705 hield Valentijn in de Grote Kerk te Dordrecht een afscheidspreek alvorens voor de tweede maal naar Ambon te vertrekken; de preek verscheen later in druk. Tijdens dit verblijf raakte hij in conflict met de gouverneur van Ambon, Adriaan van der Stel (1665-1720), over de inmenging van het seculiere bestuur in kerkelijke zaken zonder instemming van de kerkelijke autoriteiten. Het conflict van Valentijn met het koloniale bestuur escaleerde nadat Valentijn weigerde gevolg te geven aan het besluit van de Indische regering in Batavia om hem Ternate als nieuwe standplaats toe te wijzen. Uiteindelijk werd zijn herhaald verzoek om repatriëring in 1713 ingewilligd.

In 1706 controleerde een speciale commissie van predikanten in Indië de herziene editie van Valentijns vertaling, maar die vertoonde volgens hen nog steeds een aantal tekortkomingen. Hoewel Valentijn de commissie toezegde dat hij zijn versie nogmaals zou herzien, heeft hij zijn definitieve versie nooit gepresenteerd aan de kerkenraad. Deze laatste besloot uiteindelijk om Leydeckers vertaling van de Bijbel in het Hoog-Maleis te publiceren. Die vertaling is in de Molukken vanaf 1733 tot in de twintigste eeuw gebruikt.

In 1714 keerde Valentijn met de Engewormer definitief terug in Nederland. Een jaar later kocht hij in Dordrecht het huis Wolwevershaven 14, maar verkocht dat in 1719.  Vanaf 1719 richtte Valentijn zichzelf als ambteloos burger op zijn magnum opus, Oud en Nieuw Oost-Indiën (ONOI), samengesteld uit zijn eigen aantekeningen, observaties, tekstdelen van boeken uit zijn persoonlijke bibliotheek en materiaal dat hem was toevertrouwd door voormalige koloniale ambtenaren. In 1724 werden de eerste twee delen gepubliceerd in Dordrecht en Amsterdam, gevolgd door nog drie delen in 1726. Het werk bestaat uit de geografische en etnologische beschrijvingen van de Molukken en de handelscontacten van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Azië.

Valentijns werk, dat door de Dordtse drukkers Joannes van Braam en Gerrit Onder de Linden werd verzorgd en uitgegeven, kan worden beschouwd als het eerste Nederlandse encyclopedische standaardwerk over Azië. ONOI bevat feitelijke gegevens, beschrijvingen van personen, van steden, alsmede anekdotes, etnologische etsen, kaarten, schetsen van kustlijnen, stadsplattegronden en uittreksels van officiële documenten van de kerkenraad en het koloniale bestuur, een bonte verzameling van allerlei gegevens. Er is ook plaats voor verslagen van zijn zeereizen en een militaire expeditie die hij als veldprediker meemaakte op Java. ONOI bevat ook persoonlijke mededelingen, hij blijkt bijgelovig en is overtuigd van het bestaan van zeemeerminnen. Valentijn schreef in een onbedorven vorm van het Nederlands die veel van zijn tijdgenoten niet konden evenaren. De structuur van Valentijns kolossale werk is echter vrij chaotisch: de beschrijvingen van meer dan dertig regio’s zijn onregelmatig verspreid over totaal negenenveertig boeken in vijf hoofddelen, die ieder weer bestaan uit twee subdelen en verzameld zijn in totaal acht boekbanden.

Sinds de publicatie van ONOI hebben talrijke deskundigen Valentijn beschuldigd van plagiaat. Het is waar dat hij uittreksels van andere werken in zijn eigen werk heeft opgenomen, zoals het beroemde werk over de Ambonese eilanden van Georg Rumphius (1627-1702). Echter, op verschillende plaatsen in zijn werk noemt Valentijn expliciet zijn gebruikte bronnen, zoals in het voorwoord van het derde deel.

Lange tijd was Valentijns werk het enige betrouwbare standaardwerk over Azië. Om die reden is ONOI  langdurig gebruikt als handboek voor Nederlandse ambtenaren en koloniale bestuurders die te werk werden gesteld in Nederlands-Indië. Valentijns werk is nog steeds een van de belangrijkste bronnen voor historische studies over Nederlands-Indië. Zo is bijvoorbeeld het standaardwerk betreffende het scheepvaartverkeer tussen Nederland en Azië in de zeventiende- en achttiende eeuw onder redactie van J.R. Bruijn (The Hague 1979-1987) samengesteld op basis van materiaal uit Valentijns werk. Het belang van ONOI voor de geschiedschrijving van andere regio’s blijkt uit de publicatie van de Engelse vertalingen van delen van Valentijns werk betreffende de Kaap de Goede Hoop (Kaapstad 1971-1973) en de eerste twaalf hoofdstukken van Valentijns beschrijving van Ceylon (London 1978).

Het werk van Valentijn heeft ook zijn nut bewezen voor de natuurlijke geschiedenis van de Molukken. Valentijn had beschrijvingen van Rumphius, van onder meer de Ambonese dierenwereld, in zijn ONOI opgenomen, terwijl het originele ongepubliceerde manuscript van Rumphius zelf verloren is gegaan. In 1754 werd het deel van Valentijn over de zeeflora en fauna apart gepubliceerd in Amsterdam en ongeveer twintig jaar later nog vertaald in het Duits. Het duurde tot 2004 eer de volledige ONOI werd herdrukt en beschikbaar kwam voor een breder publiek.

Publicaties
Deure der waarhyd  (Dordregt, Cornelis Willegaarts, 1698).
Oud en Nieuw Oost-Indiën (Dordrecht en Amsterdam, Joannes van Braam en Gerard onder de Linden, 1724-1726). Fotomechanische herdruk (Franeker, Uitgeverij Van Wijnen, 2002-2004).
Verhandeling der zee-horenkens en zee-gewassen (Amsterdam, J. van Keulen, 1754).

Literatuur en bronnen
NNBW deel V, p. 989-990.
S. Keyzer, François Valentijns Oud en Nieuw Oost-Indiën (1e druk, ’s-Gravenhage 1856-58; 2e druk, Amsterdam 1862).
Rumphius-gedenkboek (Haarlem 1902).
C.W.Th. baron Boezelaar van Asperen en Dubbeldam, De geschiedenis van de Maleische Bijbelvertaling in Nederlands-Indië, in: Bijdragen Koninklijk Instituut voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlands-Indië, 100 (1941), blz. 27-48.
P. Serton, R. Raven-Hart, W.J. de Kock (eds.), Description of the Cape of Good Hope with matters concerning it, Amsterdam 1726, in: Van Riebeeck Society Publications, second series, no.2,4. (Kaapstad 1971-1973).
Sinnappah Arasaratnam (ed.), François Valentijns description of Ceylon, in: Works issued by the Hakluyt Society, 2nd series, no. 149 (London 1978).
J.R. Bruijn, et al., Dutch-Asiatic shipping in the 17th and 18th centuries, in: Rijks geschiedkundige publicatiën, grote serie, no. 165-167 (Den Haag 1979-1987).
M.S. Jansen, Een brief van Valentijn, in: Oud-Dordrecht, 20ste jg, nr. 1 (Dordrecht 2002).
R.R.F. Habiboe, Tot verheffing van mijne natie. Het leven en werk van François Valentijn (1666-1727) (Franeker 2004).
A. Balm en J.W. Boezeman, Waar woonde François Valentijn? in: Dordrecht Monumenteel, januari 2011, p.61-65 (Dordrecht 2011).

Vernoemingen e.d.
Vernoemingen: straatnamen in Den Haag, Almere en Tilburg.
Ambon-stad: Valentijnspark en Valentijnstraat, na 1949 hernoemd.
Valentijn woonde tijdens de jaren 1715-1719 met zijn vrouw en kinderen in het pand Wolwevershaven nummer 14 te Dordrecht (voorheen Drappierskaeij).
In 2002 werd van 18 mei tot 31 oktober in de Grote kerk te Dordrecht in het kader van 400 jaar V.O.C. een tentoonstelling aan hem gewijd.

Ron Habiboe (juli 2016)

 

Sluit het Verborgen Museum