Ferdinand Bol

24-06-1616 (Dordrecht)  -  24-07-1680 (Amsterdam)

Zelfportret van Ferdinand Bol op dertigjarige leeftijd (Dordrechts Museum 887-372).

Geboren en hervormd gedoopt rond 24 juni 1616 in Dordrecht, begraven op 24 juli 1680 te Amsterdam in de Zuiderkerk. Zoon van Balthasar Bol, meester-chirurgijn, overleden te Dordrecht in september 1641, en Tanneken Bols, overleden te Dordrecht na 5 juli 1641. Eerste huwelijk met Elisabeth Dell (23 maart 1628-4 april 1660) op 21 oktober 1653 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Hieruit drie kinderen: Cornelia (1655-1655), Elbert (1657-1709) en Balthasar (1660-1660). Tweede huwelijk na 10 oktober 1669 (ondertrouw) in Amsterdam met Anna van Erckel (1624-1680), de vermogende weduwe van Erasmus Scharlaken (circa 1610-1668). Hoewel Ferdinand Bol veel officiële documenten met Boll ondertekende, signeerde hij zijn schilderijen consequent met Bol. Het is niet bekend waarom hij zijn achternaam op twee verschillende manieren schreef.

Ferdinand Bol was een barokke kunstschilder, tekenaar en etser die vooral bekend is geworden door zijn allegorische, Bijbelse en portretschilderijen. Hij wordt als een van de meest toonaangevende schilders uit de zeventiende eeuw beschouwd. In het begin van zijn carrière gebruikte hij net als zijn leermeester Rembrandt veel sobere tinten en maakte hij veel gebruik van licht-donker contrasten. Later in zijn carrière brak Bol met de stijl van Rembrandt, zijn schilderijen werden eleganter en pathetischer. Toch bleef de invloed van zijn oude leermeester onmiskenbaar. Het kleurgebruik bijvoorbeeld bleef identiek aan dat van Rembrandt.

Bol groeide op in een redelijk welgesteld gezin aan de Hofstraat in Dordrecht. Ondanks dat het in de lijn der verwachting lag dat hij zijn vader zou opvolgen als chirurgijn, besloot de jonge Ferdinand kunstschilder te worden. Volgens recent onderzoek is het waarschijnlijk dat niet Jacob Gerritsz Cuyp (1594-1652), maar Benjamin Gerritsz Cuyp (1612-1652) zijn eerste leermeester is geweest. Benjamin was een belangrijke kunstschilder in Dordrecht. Rond 1635 vertrok de dan 19-jarige Bol naar Amsterdam om daar in de leer te gaan bij Rembrandt van Rijn (1606-1669). Hier ontwikkelde Bol zijn schilderstijl geheel in de geest van Rembrandt. De overeenkomsten met het werk van Rembrandt waren zelfs zo sterk, dat veel kunsthistorici lange tijd werken van Bol als originele Rembrandts bestempelden. Bol bleef tot 1641 voor Rembrandt werken. In september van dat jaar overleed zijn vader, van wie Bol een behoorlijk vermogen erfde. Van dit geld kocht hij een huis en werkplaats aan de Fluwelenburgwal in Amsterdam. Al snel verwierf Bol de reputatie van hardwerkende en uitmuntende kunstschilder. In 1649 kreeg hij zijn eerste grote opdracht, hij werd door de regenten van het Leprozenhuis gevraagd een groepsportret van hen te schilderen. Op 24 januari 1652 liet Bol zich als poorter van Amsterdam inschrijven. Waarschijnlijk nam hij dit besluit omdat hij een opdracht voor de decoratie van het nieuwe stadhuis ambieerde. Zijn reputatie als uitmuntend kunstschilder beperkte zich niet tot Amsterdam. In 1653 kreeg hij de opdracht een groepsportret te maken van de officieren van het Goudse schuttersvendel.

In 1653 was Bol aanwezig op een feest voor Amsterdamse kunstenaars en dichters in de Sint-Jorisdoelen. De Amsterdamse dichter Joost van den Vondel (1587-1679) die hij daar ontmoette, schreef in een gedicht vol lof over het werk van Bol: ‘Men ziet er Bronkhorst, Kalf en Bol uitmunten en Graat en Blom en die penseel en plet veel waarder schatten dan de heldere punten’. In datzelfde jaar trouwde hij met Elisabeth Dell, dochter van de invloedrijke Amsterdammer Elbert Dircksz Dell (1595-1667), vendumeester van de Admiraliteit, regent van het Spinhuis en kerkmeester van de Zuiderkerk. Het huwelijk met Elisabeth betekende voor Bol een stijging op de maatschappelijke ladder. Door de contacten van zijn schoonvader Elbert Dircksz Dell en zijn zwager Elbert Dell (1636-1696), ontvanger-generaal van de Amsterdamse Admiraliteit, met de Amsterdamse elite ontving Bol veel schilderopdrachten. Zo kreeg hij in 1655 de opdracht een schilderij voor het Spinhuis te maken. De grootvader van zijn echtgenote, Hendrik Dircksz Spiegel (1598-1667), burgemeester van Amsterdam, gaf hem de opdracht schilderijen te maken voor het burgemeestersvertrek en de schepenkamer van het nieuwe stadhuis. In 1655 werd Bol regent van het Sint-Lucasgilde, het gilde van de kunstschilders. Samen met de Amsterdamse schilder David Colyns (1582-circa 1665) taxeerde hij een aantal schilderijen uit een inboedel. Bol zou als regent van het Sint-Lucasgilde vaker schilderijen gaan taxeren. Dit zou voor hem een extra inkomstenbron worden.

In 1655 kregen Bol en zijn vrouw een grote tegenslag te verwerken: hun eerste kindje, dochter Cornelia, overleed zeven weken na haar geboorte. 1656 zou voorspoediger voor hem verlopen; hij kreeg maar liefst vijftienhonderd gulden uitbetaald voor zijn doek Pyrrhus en Fabritius, een kunstwerk voor het Amsterdamse stadhuis. Dit schilderij wordt als een van Bols belangrijkste werken beschouwd. In 1657 kregen Ferdinand en Elisabeth een tweede kindje, ditmaal een zoon, genaamd Elbert. Elbert was het enige kind van Bol dat de volwassen leeftijd zou bereiken. Het laatste kind van Elisabeth en Ferdinand, wederom een zoon, genaamd Balthasar, werd in 1660 geboren, maar ook hij stierf kort na de geboorte.

Voor Bol werd 1660 op het persoonlijke vlak een ongelukkig jaar toen ook zijn vrouw Elisabeth kort na de geboorte van Balthasar stierf. Op professioneel gebied bleef de waardering voor zijn kunstwerken echter toenemen. Zo maakte hij een groepsportret van de regenten van het Amsterdamse wijnkopersgilde. Tussen 1661 en 1664 kreeg hij voortdurend opdrachten van de Amsterdamse regentencolleges. Zo maakte hij voor het Leprozenhuis het schilderij Elisa weigert kostbaarheden van Naäman. In 1663 schilderde Bol opnieuw een groot schilderij voor het Amsterdamse stadhuis en maar liefst vier doeken voor het nieuw opgetrokken gebouw van de Amsterdamse Admiraliteit. In 1664 kreeg hij van de gemeente Leiden de opdracht een schoorsteenstuk voor het burgemeestervertrek van het verbouwde stadhuis te maken.

Vanaf 1660 tot omstreeks 1668 waren er leerlingen op het atelier van Bol aanwezig, onder wie de latere Dordtse meester Cornelis Bisschop (1630-1674), de Duitse schilder Godfried Kneller (1646-1723) en de schilder Frans van Ommeren (?-circa 1662). In 1666 werd Bol als vooraanstaand burger van Amsterdam aangesteld tot sergeant van het burgervendel van zijn wijk. De Amsterdamse burgervendels werden per wijk ingesteld en vormden op deze wijze een stadsmilitie.

In oktober 1669, negen jaar na de dood van zijn eerste vrouw, trouwde Bol opnieuw. Ditmaal met de vermogende weduwe Anna van Erckel. Het paar huurde in 1672 een nieuw pand aan de Keizersgracht, het huidige Museum van Loon, thans nummer 672, gebouwd naar het ontwerp van architect Adriaan Dortsman (1635-1682). De economische crisis die Nederland in deze periode teisterde als gevolg van de tweede en derde Engels-Nederlandse oorlog ( respectievelijk 1665-1667 en 1672-1674) ging aan Bol en zijn echtgenote voorbij. Bol leefde als rentenier en schilderde bijna niet meer. In 1673 werd Ferdinand benoemd tot regent van het Oudezijds Huiszittenhuis, een instelling die zich inzette voor armen en werklozen van de stad. Bol bleek uitermate geschikt voor die functie. Een jaar later, op 12 april 1680, werd hij opnieuw weduwnaar toen Anna van Erckel overleed. Zij was sinds november 1679 al ziek en bedlegerig. Na het overlijden van zijn tweede vrouw trok Ferdinand Bol in bij zijn zoon Elbert, die een huis aan de Herengracht bewoonde. In tegenstelling tot Anna van Erckel kwam het overlijden van Ferdinand Bol geheel onverwacht. Op 16 juli 1680 woonde Bol nog een vergadering van de regenten van het Oudezijds Huiszittenhuis bij, maar acht dagen later, op 24 juli 1680, werd hij al in de Zuiderkerk begraven.

Belangrijkste werken
Salomo ontvangt geschenken, 1655-1659 (Rijksmuseum Amsterdam).
Pyrrhus en Fabritius, 1656 (Paleis op de Dam Amsterdam).
Zelfportret van Ferdinand Bol op dertigjarige leeftijd, 1647 (Dordrechts Museum).
Maria met kind, Johannes de Doper en Gabriel, 1657 (bruikleen uit de collectie Kremer Dordrechts Museum).
Venus en Adonis, 1657-1660 (Rijksmuseum Amsterdam).
De vredesonderhandelingen tussen Claudius Civilis en Quintus Petillius op de afgebroken brug, 1658-1662 (Rijksmuseum Amsterdam).
Michel de Ruyter als luitenant-admiraal, 1667 (Rijksmuseum Amsterdam).
Zelfportret van Ferdinand Bol op 52-jarige leeftijd, 1669 (Rijksmuseum Amsterdam).

Bronnen en literatuur
Stadsarchief Amsterdam, Poortersboeken van de stad Amsterdam (1531-1652), toegangsnummer 5033, inventarisnummer 2, p. 504.
Jan Pieter Veth, Rembrandts leven en kunst (Amsterdam 1906).
Albert Blankert, Ferdinand Bol, 1616-1680: een leerling van Rembrandt (‘s-Gravenhage 1976).
Gary Schwartz, Rembrandt zijn leven; zijn schilderijen (Maarssen 1984).
Erna Kok, Zonder vrienden geen carrière: de succesvolle loopbanen van de zeventiende-eeuwse kunstenaars Govert Flinck en Ferdinand Bol, in: De zeventiende eeuw. Cultuur in de Nederlanden in interdisciplinair perspectief, 27 (2011) nummer 2, p. 300-336.
Norbert Middelkoop, Ferdinand Bol en Govert Flinck, Rembrandts meersterleerlingen (Zwolle 2017).
Willem Te Slaa en Tonko Grever, Ferdinand Bol, het huis, de collectie, de kunstenaar (Zwolle 2017).

Esther Hubbard (januari 2018)

Sluit het Verborgen Museum