Familie van Blijenburg

15de eeuw (Dordrecht)  -  17de eeuw (Dordrecht)

Waardijn Adriaen [VI] van Blijenburg (middenvoor), officieren en ander personeel van de Munt van Holland te Dordrecht. Schilderij uit 1657 door Samuel van Hoogstraten (Dordrechts Museum 893-425).

De Dordtse familie Van Blijenburg [Blyenburg, Blienborch, Blienbergius] komt zeker al vanaf de vroege veertiende eeuw voor in dienstverband met de graven van Holland. In de vijftiende eeuw werd ze actief in het Dordtse stadsbestuur en vervulde vervolgens twee eeuwen lang van vader op zoon of van oom op neef het ambt van waardijn van de Munt van Holland, de gewestelijke muntslag die officieel sinds 1367 aan de Voorstraat te Dordrecht was gevestigd en toegankelijk was via het Muntpoortje. De waardijn, gerekruteerd uit de Oudraad of een aanzienlijke familie, vertegenwoordigde de landsheer (de graaf, later de Staten van Holland). Hij, dan wel de adjunct- of contra-waardijn die hem kon vervangen, hield toezicht op de naleving van de instructies voor het muntpersoneel, trad op als keurmeester voor de kwaliteit van de munten, penningen, rekenpenningen en andere producten van de Munt zoals baren goud en zilver, en onderhield het contact met de landsheer. Dit ambt was vergelijkbaar met een directeursfunctie thans. Het was gesalarieerd en bracht daarnaast allerlei privileges mee, zoals vrijstelling van beden en belastingen, van wachtlopen en van deelname aan de ‘tocht’ (oorlogvoering).

Verschillende leden van de familie Van Blijenburg hebben een vooraanstaande rol in de geschiedenis van Dordrecht of in het intellectuele leven van het gewest gespeeld. De familie was aanvankelijk katholiek, maar sinds de overgang van Adriaen III naar het calvinisme was de hoofdstam gereformeerd; enkele leden bleven echter ook later nog katholiek. Al vanaf de vijftiende eeuw was studie in het buitenland of een grand tour (een vormingsreis of een studiereis met bezoek aan belangrijke universiteiten, persoonlijkheden en geleerden) regel bij de opvoeding in de familie.

Eind 1699 stierf de familie in mannelijke lijn uit. Het aan de Wijnstraat bij de Beurs (thans Scheffersplein) gelegen middeleeuwse stamhuis Blijenburg, waaraan de familie haar naam ontleende, werd in oktober 1744 afgebroken. De portretten van vele generaties Van Blijenburg, van Cornelis Heymansz tot en met de laatste naamdrager Charlotte Elisabeth worden thans bewaard in Huis van Gijn. De geschiedenis van de familie Van Blijenburg vormt een goed voorbeeld van de bestuurlijke functies die een Dordts regentengeslacht in stad en gewest kon vervullen en van de huwelijkspolitiek in het topsegment van de stedelijke samenleving. Haar belangrijkste vertegenwoordigers waren, in chronologische volgorde (om verwarring te voorkomen worden de vele Adriaens van een romeins ranggetal voorzien):

I. Cornelis Heymansz Geboren Dordrecht 1450, aldaar overleden 1521. Oudste zoon van Heyman Cornelisz (1395-1470), burgemeester van Dordrecht 1425, en Geertruid van Houweningen (kleindochter van ridder Dirck, baljuw van Zuid-Holland). Hij huwde eerst Catharina Jacobsdr Schoyts, daarna Margaretha Gijsbrechtsdr van Diemen, die in 1541 kinderloos overleed. Cornelis was raad van Dordrecht in 1497 en schepen in 1505, 1508-09, 1513 en 1517. Hij trad succesvol op als kapitein in de oorlog met de hertog van Gelre, nam in 1488 het stadje Nieuwpoort in en behaalde op 4 juni 1489 in de scheepsslag op de Lek de overwinning op de Hoekse partij. Hij herbouwde het H. Geesthuis (een zorgvoorziening) bij de Nieuwkerk en stichtte verschillende vrome fundaties. Uit zijn eerste huwelijk:

II. Adriaen I Cornelisz Geboren Dordrecht 1485, aldaar overleden 1510. Gehuwd met Christina Johansdr van Slingelandt (overleden 1548). Hij maakte een lange rondreis door Europa en wordt genoemd als eerste waardijn van de Munt van Holland uit zijn familie. Hij kreeg twee zoons: Heyman Adriaensz (volgt IIIa) en Adriaen II, postuum geboren (volgt IIIb).

IIIa. Heyman Adriaensz Geboren Dordrecht 18 oktober 1509, aldaar overleden 27 en begraven 31 augustus 1579 in het Onze Lieve Vrouwekoor van de Grote Kerk (grafzerk). Hij trouwde in 1533 met Maria Cornelisdr de Hoog (Van der Hooch), die al na enkele maanden overleed; in 1538 met Cornelia van Droogendijck (overleden te Brussel 9 juni 1560, dochter van Mr. Vincent Damasz, rekenmeester van Holland). Hij werd op 22 mei 1525 als student te Leuven ingeschreven. Heer van Dordtsmonde, waardijn van de Munt 4 mei 1548, raad van Dordrecht 1538, thesaurier van 1543 tot 1559, schepen 1541-42, 1545-46, 1549-50, 1553-54 en 1557-58 en burgemeester van ’s heren wege (benoemd door de landsheer) 1549-51, 1554-55 en 1558-59. In 1566 koos hij partij voor de Opstand. Uit het tweede huwelijk vijf zoons en vier dochters, onder wie:
Margaretha (geboren 1543, overleden 14 februari 1589, begraven in het Onze Lieve Vrouwekoor van de Grote Kerk) gehuwd met Johan Willemsz (du) Bouquet, generaal (muntmeester) van de Munt van de Verenigde Nederlanden;
Cornelis Heymansz (volgt IVc);
Adriaen (geboren 15 oktober 1546, begraven te Hoorn 11 oktober 1573). Student te Leuven 15 september 1561, in 1572 in Italië, op 15 juli 1573 te Dole (Franche-Comté). Latijns geleerde. Hofmeester (secretaris) van Maximiliaan de Hennin, graaf van Bossu, stadhouder van Holland en tegenstander van de Opstand. Gesneuveld in de slag tegen de Watergeuzen op de Zuiderzee;
Christina (geboren 1549, overleden te Dordrecht 7 december 1601) eerst gehuwd met Johan van Nuyssenburg, vervolgens met jonker Johan van der Mijle;
Vincent (geboren 1553, overleden juni 1578). Student te Leuven 1 maart 1569, 1572 in Bourgondië. Hofmeester van de graaf van den Bergh. Gesneuveld als ritmeester van koning Sebastiaan van Portugal (1554-1578) in diens avontuurlijke kruistocht tegen de Moren in Afrika;
Maria (geboren 1555) huwt Hugo Cool (1554-1594), zoon van Hugo Pietersz, burgemeester van Dordrecht 1550 (zie Adriaen II);
Anna (geboren 1556, overleden 1581) gehuwd met Jodocus de Jonge, heer van Baardwijk, auditeur in de Rekenkamer van Holland;
Damas (volgt IVd);
Johan (geboren 4 juni 1560, overleden 29, begraven 31 augustus 1595). Student te Leiden 18 juni 1583, overleden te Padua op de terugreis van zijn grand tour naar Napels; hij was mede in Padua om het graf van zijn Dordtse neef Blasius du Bouquet Johansz (op 27 of 31 oktober 1591 als student te Padua overleden) in de kloostergalerij van de St.-Antoniuskerk te verzorgen; zijn broers Cornelis en Damas richtten daar later een grafmonument voor hemzelf op in de St.-Catharinakerk.

IIIb. Adriaen II Adriaensz Geboren Dordrecht 14 januari 1511, aldaar overleden 8 augustus 1573. Hij huwde eerst in 1529 Clara Bogaert (overleden 10 december 1560, dochter van Mr. Gheraet Cornelisz Bogaert, licentiaat in de rechten van de universiteit van Orléans 1496, heer van Schobbelandsambacht [Zwijndrecht] 1522, pensionaris van Dordrecht, burgemeester 1524); vervolgens met Anna Ydo uit Antwerpen, weduwe van Hugo Pietersz Cool (schepen 1544, burgemeester van Dordrecht 1550). Student te Leuven 22 mei 1525. Heer van Schobbelandsambacht, adjunct-waardijn van de Munt 24 juni 1546 naast zijn broer Heyman; raad van Dordrecht 1539-40, schepen 1543-44 en 1547-48, schout van 1549 tot 1571. Hij deed afstand van het schoutambt uit onvrede over de repressieve politiek van koning Filips II jegens de ketters, maar bleef katholiek. Tijdens de eerste vrije Statenvergadering was hij gedeputeerde van Dordrecht. Uit het eerste huwelijk vier kinderen, onder wie Adriaen III (volgt IVa) en Cornelis Adriaensz (volgt IVb).

IVa. Mr. Adriaen III Adriaensz Geboren Dordrecht 1532, aldaar overleden (kort voor?) 28 mei 1582. Gehuwd met Catharina Cool (1533-1620, dochter van Adriaen Cool, burgemeester van ’s heren wege). Adriaen III werd 29 augustus 1547 als student aan de Pedagogie de Burcht te Leuven ingeschreven. Tijdens zijn ambteloze periode vertrok hij naar Genève waar hij op 31 oktober 1571 als ‘Batavus laïcus’ werd ingeschreven en tot het calvinisme overging. Hij voerde de titel van meester in de rechten maar zijn promotiedatum is niet bekend. Hij was heer van Schobbelandsambacht 1580, werd vermoedelijk in 1579 waardijn van de Munt; schepen van Dordrecht 1559-60 en 1563-64 en na de Opstand opnieuw in 1573-74, 1577-78 en 1581, burgemeester 1582. In 1572 onderhield hij geheime contacten met Willem van Oranje en onderhandelde over de overgang van Dordrecht naar de Opstand. Als lid van de Oudraad zorgde hij ervoor dat de geuzen op 25 juni 1572 de stad konden binnentrekken en dat Dordrecht zonder bloedvergieten de kant van de prins koos. Vervolgens nam hij op 19-23 juli deel aan de eerste vrije Statenvergadering van het gewest Holland in het Dordtse Hof. Hij werd geheimraad van Willem van Oranje, lid van de Raad van State en commissaris-generaal van de krijgsmacht van de Verenigde Nederlanden. Behalve drie dochters kreeg hij drie zoons: Adriaen IV (volgt Va); Gerard (geboren 1562, overleden 31 juli 1605), raad van Dordrecht 1595-96, schepen 1599-1600 en 1603-04; en Jacob Adriaensz (volgt Vb).

Zijn dochter Lucretia (geboren 1564, overleden 1636) trouwde te Dordrecht 29 april 1590 met Gerard de Pilgrum Arnoldsz (overleden 1649), een patriciërszoon uit Keulen. Hij werd hoofdschout van Breda, commissaris van de monstering, op 9 juni 1626 adjunct-waardijn en (in de jaren 1630-34, na het overlijden van zijn oomzegger Adriaen V) waardijn van de Munt van Holland. Gerardus de Pilgrum junior (1608-1669), de jongste van hun 12 kinderen, was heer van Oostendam bij Ridderkerk, studeerde in 1633 aan de universiteit te Keulen, werd priester en kanunnik van St.-Gereon te Keulen en overleed als koorbisschop van dat aartsbisdom.

IVb. Cornelis Adriaensz Geboren Dordrecht 1534, begraven Grote Kerk aldaar in mei 1596. Gehuwd te Dordrecht 6 januari 1587 met Maria (Catharina) Hoffman uit Brugge, weduwe van Jan Villamonte. Uit dit huwelijk geen nageslacht. Zij hertrouwt te Dordrecht op 19 november 1600 met de weduwnaar Lieven Adriaensz, koopman uit Middelburg. Cornelis was lid van het houtkopersgilde en van de confrérie van de Rijnse wijnkopers. Hij werd 11 mei 1582 waardijn van de Munt en nam 18 november 1591 ontslag. Hij was thesaurier, schepen van Dordrecht in 1582 en 1586-87 en commandeur en kastelein van Woudrichem en Loevestein.

IVc. Cornelis Heymansz Geboren Dordrecht 1545, overleden Delft 2 december 1618. In 1570 gehuwd met Catharina de Jonge (geboren 19 oktober 1544, overleden 1 oktober 1600), vrouwe van Baardwijk, dochter van Mr. Cornelis de Jonge (1519-1595), eerste rekenmeester van Holland. Na haar kinderloos overlijden hertrouwde hij met Martina Wolfertsdr van Borssele. Student te Leuven 15 september 1561. Heer van Dordtsmonde, Kethel en ‘s-Gravenambacht, dijkgraaf en baljuw van Delfland en meesterknaap van de houtvesterij van Holland. Handschrift 130 E 28 van de Koninklijke Bibliotheek met inschrijvingen van vele tijdgenoten is vermoedelijk zijn album amicorum.

Uit zijn tweede huwelijk twee zoons:
Wolfert (geboren ‘s-Gravenhage 1603, ongehuwd overleden te ‘s-Hertogenbosch 24 oktober 1635), heer van Dordtsmonde, op 6 mei 1619 samen met zijn broer Heyman ingeschreven als student letteren te Leiden, in 1627 student rechten te Orléans en procurator van de Germaanse Natie (voorzitter van de nationale studentenorganisatie); later vaandrig van een compagnie infanterie in het leger van de Republiek;
Heyman Cornelisz (geboren ‘s-Gravenhage 1604, overleden 1645), studeerde samen met zijn broer in Leiden; na diens dood heer van Dordtsmonde, kapitein, commandeur van Engelen bij Den Bosch; gehuwd met Geertruid Crijp (Criep, Krip; dochter van François, griffier van Holland); hieruit vier zoons geboren buiten Dordrecht waarvan drie met nageslacht.

IVd. Damas Heymansz Geboren Dordrecht 1558, overleden op reis naar Bohemen in of na 1616. Gehuwd met Maria van der Aa, vrouwe van Hofwegen (overleden vóór 1616); dit huwelijk bleef kinderloos. Damas werd op 11 juni 1586 ingeschreven als student rechten te Leiden en volgde een intellectuele carrière. Al jong publiceerde hij een lofdicht in het neostoïcijnse traktaat De Constantia van Justus Lipsius (1584), die toen professor te Leiden was, en hij onderhield zijn leven lang contacten met veel geleerden. Hij gaf de Latijnse werken van St. Fulgentius van Ruspe uit (Amsterdam 1610 en 1612), publiceerde een bloemlezing uit 200 Latijnse dichters (Cento ethicus, Leiden 1599, herziene uitgave onder de titel Apicula Batava, Dordrecht 1600), en schreef ook eigen werk (Veneres Blyenburgicae, Dordrecht 1600, 2e druk Amsterdam 1613); bovendien verzamelde hij gegevens voor de genealogie van zijn familie (handschrift in de Koninklijke Bibliotheek, 129 A 26). Hij reisde veel, en trad in 1594 op als eerste raad van de Engelse gouverneur van Virginia.

Va. Mr. Adriaen IV Adriaensz Geboren Dordrecht 1560, aldaar overleden 23 februari 1599. Zoon van Adriaen III en Catharina Cool. Gehuwd te Hoorn 21 april 1592 (huwelijkse voorwaarden 29 maart 1592) met Alijdt Wijntgis [Wyntgens] uit een Overijssels geslacht van muntmeesters. Als student in de rechten op 21 mei 1579 te Genève ingeschreven, te Leiden op 11 juli 1581 en daar 20 mei 1585 gepromoveerd. Werd 1583 heer van Schobbelandsambacht en 18 november 1591 waardijn van de Munt. Hoofdschout van Dordrecht vanaf 21 november 1592. Latijns dichter (Poemata varia, 1582; 2e druk 1588). Hij overleed kinderloos, waarna het ambt van waardijn overging op zijn broer Jacob Adriaensz. Zijn weduwe droeg de heerlijkheid Schobbelandsambacht op 14 oktober 1603 over aan de vermogende Dordtse financier Arend Maartensz bij wie zij een lening op dit goed had afgesloten die zij niet kon afbetalen.

Vb. Jacob Adriaensz Geboren Dordrecht 1562, aldaar overleden 26 september 1609. Gehuwd met Maria Carré (overleden 8 oktober 1613) uit een patriciërsfamilie in het graafschap Namen. Hij werd 2 maart 1599 waardijn van de Munt. In 1596 door de prins tot acht van Dordrecht gekozen, raad in 1603-04, penningmeester van de Alblasserwaard en schepen in 1607-08. Zijn zoon Adriaen V volgde hem op als waardijn.

VI. Mr. Adriaen V Jacobsz Geboren Dordrecht 8 oktober 1589, aldaar overleden 10 november 1630. Hij huwde eerst te Dordrecht 1 april 1611 met Carolina (Charlotte) van Beveren (geboren 4 maart 1589, overleden 25 december 1625; dochter van Willem van Beveren, heer van Strevelshoek, rentmeester-generaal van Zuid-Holland en burgemeester van Dordrecht). Huwde vervolgens in ‘s-Gravenhage op 29 september 1627 met Sara Pompejusdr de Rovere (overleden 14 september 1657, dochter van Pompejus de Rovere en Margaretha Muijs van Holy). Ingeschreven als student rechten te Leiden op 5 november 1605, gepromoveerd tot licentiaat in de beide rechten te Poitiers (Frankrijk) op 7 augustus 1609 onder de Friese hoogleraar Franciscus Meinardus. Adriaen V was heer van Naaldwijk, werd 9 oktober 1609 waardijn van de Munt en meester munter in 1616, penningmeester van de Alblasserwaard, raad van Dordrecht 1616-17, schepen 1623-24, schout 1626 (als opvolger van zijn schoonvader). De Franse koning benoemde hem tot ridder in de orde van St.-Michiel. Hij was ook actief als Latijns dichter en geleerde. Uit het huwelijk van Adriaen V met Carolina van Beveren drie kinderen:
Jacob, heer van Naaldwijk (geboren 1612, ongehuwd overleden 4 juni 1633), student in de rechten te Leiden 20 september 1632;
Adriaen VI (volgt VII);
Charlotte (geboren 1615; volgens Balen 1625), gehuwd met Mr. Thomas [van] Sasburgh (geboren 1611/12, overleden in Brussel 1687), heer van Mogarnie, advocaat aan het Hof van Holland 2 maart 1640, acht van Dordrecht 1652, permanent resident van de Republiek te Brussel vanaf 9 december 1655.

Uit Adriaens huwelijk met Sara de Rovere een postuum geboren dochter Adriana (gedoopt 1 februari 1631). Zijn schoonvader Pompejus Jacobsz de Rovere (geboren Antwerpen 1571, begraven in de Grote Kerk te Dordrecht 23 oktober 1638), heer van Hardinxveld in 1625, raad van Dordrecht 1610, schepen 1615, schout 1620-26 en baljuw van Zuid-Holland trad vanaf 1634 op als waardijn van de Munt.

VII. Mr. Adriaen VI Adriaensz Geboren Dordrecht 3 november 1616, aldaar overleden 10, begraven 16 september 1682 in de Grote Kerk. Hij huwde te Dordrecht 16 mei 1645 met Levina de Vrieze (geboren Dordrecht 14 april 1623, aldaar overleden 1 maart 1700; dochter van Mr. Dingeman Cornelisz de Vrieze, raad en schepen van Dordrecht). Hieruit 16 kinderen van wie er 12 jong stierven. Op 12 juni 1634 ingeschreven als student in de rechten te Leiden; vermoedelijk gepromoveerd (hij voerde de titel meester in de rechten) tijdens de grand tour naar Italië die hij in 1646 samen met de Dordtse jonker Matthijs van de Merwede en de Leidse hoogleraarszoon Nicolaes Heinsius ondernam. Hij was heer van Naaldwijk, waardijn van de Munt vanaf 1638 en ridder in de Orde van St.-Michiel. Schepen van Dordrecht in 1642-43 en 1651-52, burgemeester 1656-58, 1672, 1676-77 (gekozen door prins Willem III); lid van de Raad van State 1668-70, gecommitteerde raad van Holland 1673-75 en gedeputeerde te velde bij de slag van Seneffe in 1674. Op 15 april 1666 werd hij gecommitteerd tot de opvoeding van de prins van Oranje, Willem III (1650-1702). Het ambt van waardijn ging na zijn dood over op zijn oudste zoon Adriaen VII (volgt VIII). Twee andere zoons Dingeman (geboren 21 april 1650), kapitein infanterie, en Jacob (geboren 8 april 1653, overleden 1679) stierven ongehuwd. Jacob legde op 12 juli 1667 de eerste steen van de nieuwe Beurs te Dordrecht. Adriaens dochter Charlotte Elisabeth (gedoopt Dordrecht 30 juni 1663, overleden 1729) huwde Mr. Johan Johansz van der Burch (1660-1732), veertigraad 1695, acht 1696, schepen van Dordrecht 1697, 1703, 1707 en 1711 en bij erfopvolging heer van Naaldwijk; zij stierf als laatste naamdrager Van Blijenburg.

VIII. Mr. Adriaen VII Adriaensz Geboren te Dordrecht 10 en gedoopt 16 juni 1647, aldaar overleden 5 augustus 1699. Gehuwd te Dordrecht 10 februari 1683 met Elisabeth Matthijsdr Droste uit Heusden, die 23 december 1699 in de Grote Kerk werd begraven. Uit dit huwelijk slechts één jong overleden zoon Adriaen VIII (gedoopt 1687), zodat het geslacht Van Blijenburg met hen in mannelijke lijn uitstierf. Adriaen VII werd 19 oktober 1666 te Leiden ingeschreven in de filosofie en promoveerde tijdens zijn grand tour in de beide rechten aan de universiteit van Orléans in november 1671/februari 1672. Hij was heer van Naaldwijk, werd adjunct-waardijn van de Munt op 20 december 1672, waardijn 21 oktober 1682. Hij was ontvanger van het kwartier van Kempenland en de Meierij van ‘s-Hertogenbosch, schepen van Dordrecht in 1680, 1685 en 1689 en penningmeester van de Alblasserwaard.

Bronnen over de familie
Balen, p. 843, p. 989-995.
J. van Beverwijck, ’t Begin van Hollant in Dordrecht (Dordrecht 1640), p. 92-98.
J. Kok en A. Ferwerda, Nederlandsch geslagt- en wapenboek, I (Amsterdam 1785), in voce.
F.A.L. ridder van Rappard, Der Blijenburgen familie, in: Algemeen Nederlandsch familieblad, 3 (1886), p. 68-70.
Familie-aanteekeningen van Blyenburch, in: De Nederlandsche Leeuw, 47 (1929), p. 332-337.

Literatuur
NNBW 4, p. 172-177.
W. Dolk, Het serment van de Munt van Holland, in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, 5 (1951), p. 119-171; 10 (1956), p. 47-107.
M.R. de Vrij, De portretten van de familie van Blyenburgh in het depot van het Museum Mr. Simon van Gijn in Dordrecht, in: Holland, 26 (1994) 2, p. 112-124.
H.A. van Duinen en C. Esseboom, De Munt van Holland. Een beknopte historie van de Dordtse Munt (Dordrecht 2012).

Willem Frijhoff (maart 2013)

Sluit het Verborgen Museum