Eduard Johann Erdelmann

01-03-1865 (Barmen)  -  27-12-1950 (Dordrecht)

Portretfoto van Eduard Johann Erdelmann, gemaakt te Dordrecht in of vlak na 1938 (Regionaal Archief Dordrecht 552_315352)

Eduard Johann Erdelmann werd op 1 maart 1865 geboren te Barmen (thans een stadsdeel van Wuppertal in het Rijnland) in Duitsland. Hij overleed te Dordrecht op 27 december 1950. Hij was een zoon van Eduard Erdelmann (1839-1908) en Sophie Maria Strauch (ca. 1840-1915). Zijn vader was zowel makelaar-taxateur als muziekinstrumentenhandelaar en woonde samen met zijn gezin aan de Parlamentstraße nr. 16, op welk adres ook zijn winkel was gevestigd. Op 21 november 1893 trouwde hij te Barmen met Julie Maria Beerbaum. Zij werd geboren op 10 juli 1872 te Barmen als dochter van Heinrich Beerbaum en Julie Teipel en overleed te Dordrecht op 22 februari 1949. Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren, te weten: Eduard Hugo (Dordrecht 27 september 1894-Dordrecht 20 februari 1966), Heinrich Siegfried Oscar (Dordrecht 14 december 1898-Vlissingen 30 augustus 1974) en Werner Ernst (Dordrecht 14 juni 1913-?). Erdelmann werd op 29 december 1911 tot Nederlander genaturaliseerd.

Eduard Erdelmann was een Nederlandse musicus, dirigent, componist en muziekpedagoog van Duitse komaf. In Dordrecht speelde hij op muzikaal vlak van meet af aan een leidende rol. In 1888 volgde hij Willem Kes (1856-1934), die in dat jaar tot (de eerste) dirigent van het Concertgebouworkest te Amsterdam was benoemd, op als vioolleraar aan de stedelijke muziekschool. Van deze school werd hij in 1903 tevens directeur. Daarnaast werd hij benoemd als dirigent van zowel de Orchest-Vereeniging als de Zangvereeniging (later Toonkunstkoor geheten). Voorts was hij dirigent van een a-capellakoor en directeur van de Opera- en Operette-Vereeniging. Ook gaf hij regelmatig concerten. Erdelmann heeft diverse werken gecomponeerd, onder andere voor Dordtse aangelegenheden. In 1938, het jaar van zijn afscheid, werd hij tot ereburger van Dordrecht benoemd.

Op zesjarige leeftijd kreeg Erdelmann zijn eerste vioolonderricht van de concertmeester van het stedelijke orkest in Elberfeld, thans een stadsdeel van Wuppertal, naast Barmen. Hij gaf al spoedig blijk van muzikale begaafdheid. Ook legde hij een respectabele veelzijdigheid aan de dag: naast violist bleek hij ook een uitmuntend trompettist. Op vijftienjarige leeftijd verhuisde hij naar Keulen voor een opleiding aan het conservatorium. Voor viool kreeg hij onderricht van Schwarz en Japha, voor piano bij Hompesch en voor theorie en compositieleer bij respectievelijk Jensen en Hiller. Eduard Erdelmann had in deze tijd al een duidelijke voorkeur ontwikkeld voor het classicistische en romantische repertoire. Hij was een groot bewonderaar van de muziek van Johannes Brahms (1833-1897), wiens wijze van dirigeren zijn eigen dirigentschap in sterke mate beïnvloedde.

Kort na het voltooien van zijn conservatoriumstudie moest Erdelmann gedurende een periode van vierenhalf jaar zijn militaire dienstplicht vervullen. Hij verhuisde naar Wesel alwaar hij van 1884 tot 1888 werd aangesteld als eerste trompettist en tweede kapelmeester van de militaire kapel van het 57e regiment infanterie.

Na zijn diensttijd, in 1888, solliciteerde de toen 23-jarige Erdelmann op de functie van vioolleraar aan de muziekschool van de Dordrechtse afdeling van de Maatschappij tot bevordering der Toonkunst. Op uitnodiging van Willem Kes toog hij naar Amsterdam om enkele delen uit de Negende Symfonie van Beethoven (in d-mineur, opus 125) te dirigeren. Het enthousiasme van Kes hierover was zo groot dat Erdelmann onmiddellijk als zijn opvolger kon worden aangesteld. Op 1 oktober 1888 trad hij in dienst. Tevens ging hij aan de slag als muziekleraar en dirigent van het Toonkunstkoor en de Orchest-Vereeniging. In 1903 werd hij als opvolger van Johannes Hendrikus Franciskus (Henri) Vink (1849-1925) benoemd tot directeur van de muziekschool.

Als muziekpedagoog was Erdelmann zeer invloedrijk. Hij had een goed organisatietalent en karaktereigenschappen die hem tot een aanvaard en gewaardeerd leider maakten. Hij heeft veel leerlingen kunnen inwijden in de klassieke muziek. Zijn onderwijs was toegankelijk en hij wist leerlingen als geen ander te motiveren en te inspireren. Als dirigent toonde hij zich een waar meester en was als zodanig zeer geliefd bij de leden van het Toonkunstkoor. De uitvoeringen waren steeds van hoge kwaliteit en trokken veel belangstelling. Hetzelfde kan worden gezegd over de Orchest-Vereeniging, waarvan Erdelmann van 1888 tot 1938 dirigent was. Deze bestond hoofdzakelijk uit (goede) dilettanten. Om de benodigde kwaliteit te waarborgen, zorgde hij veelal voor aanvulling met vakmusici uit het Residentieorkest of andere ensembles in Dordrecht.

Erdelmann was ook dirigent van de Dordtsche Opera- en Operette Vereeniging. Deze vereniging werd in 1914 opgericht maar werd in het jaar dat Erdelmann afscheid nam (1938) om financiële redenen opgeheven. Zijn uitvoeringen trokken steeds veel belangstelling, het waren evenementen in het Dordtse muziekleven. Tot zijn bekendste uitvoeringen behoren twee operettes van Johann Strauss jr., te weten Die Fledermaus in 1932 en Der Zigeunerbaron in 1933. Ook bij andere docenten stond Erdelmann hoog aangeschreven. Als violist vormde hij een pianotrio met de heren Gerd Hendrik (Henri) Haagmans (1870-1941) als cellist en voornoemde Henri Vink als pianist. Regelmatig verzorgde dit trio uitvoeringen in de muziekschool. Erdelmann nam ook regelmatig zitting in de jury’s voor zangwedstrijden.

Ondanks zijn drukke activiteiten als pedagoog en musicus componeerde Erdelmann diverse stukken. Veel waren afgestemd op uitvoeringen door de plaatselijke vereniging: cantates, werken voor gemengd- en mannenkoor, marsen in fanfare- of harmoniebezetting, operettes en zangspelen. Bij de laatstgenoemde kan worden gedacht aan De stem van Manitou, een romantisch zangspel in drie bedrijven dat ook uitgevoerd werd op het afscheidsfeest van Erdelmann. Van zijn kindercantates zijn Een daagje naar zee en Het dorpsfeest welbekend, werken waarin het realisme tot uitdrukking komt, waarbij gedacht moet worden aan het alledaagse en de humor van reële gebeurtenissen. Een andere bekende cantate is Oorlog en vrede, die op 22 november 1919 werd uitgevoerd tijdens een buitengewoon concert in Kunstmin. Matthijs van Zanten (1850-1928), die op dat moment wethouder van Dordrecht was, schreef hiervoor de tekst.

Tot de hoogtepunten uit Erdelmanns carrière kan worden gerekend de uitvoering in Dordrecht van de kindercantate De wereld in met drieduizend kinderen en honderd musici. Dit concert had plaats op 8 juli 1897 in het Oranjepark tijdens de tentoonstelling Vak en Kunst. Een krachtig en aanhoudend applaus viel de uitvoerenden ten deel. Uit handen van de feestcommissie ontving Erdelmann vervolgens een lauwerkrans.

Een ander hoogtepunt uit de carrière van Erdelmann is zijn 25-jarig jubileum in 1913. Ter gelegenheid daarvan werd een tweedaags muziekfeest georganiseerd. Zowel het toonkunstkoor als de Orchest-Vereeniging speelden diverse werken, zoals de Academische Festouverture van Johannes Brahms, gedirigeerd door Erdelmanns voorganger Willem Kes. In 1928 werd het 40-jarig jubileum gevierd en in 1938 nam Erdelmann, na bijna 50 jaar een leidende rol te hebben gehad in het muziekleven in Dordrecht, afscheid. Opnieuw vond een tweedaags muziekfeest plaats. Op 31 december 1934 werd hij onderscheiden tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Nog geen vier jaar later, en wel op 14 mei 1938, werd hij door het gemeentebestuur van Dordrecht benoemd tot ereburger van Dordrecht. Hem werd de bijbehorende gouden penning overhandigd. De musicus, componist en dirigent Otto Glastra van Loon (1906-1986) volgde Erdelmann op als dirigent van het Toonkunstkoor en als directeur van de muziekschool. Als opvolger voor de Orchest-Vereeniging werd de uit Dordrecht afkomstige Henri Jacques (Hans) Thoman (1908-2005) aangesteld, die een leerling van Erdelmann was.

Na zijn pensionering trad Erdelmann nog incidenteel op als dirigent en musicus. Ter gelegenheid van de Bevrijding stond Erdelmann op 5 mei 1945 voor de laatste keer voor het orkest. Op 27 december 1950 overleed Erdelmann. Hij werd op 30 december begraven op de Rooms-Katholieke begraafplaats aan de Reeweg in Dordrecht.

Enkele composities
Met opusnummer
Opus 14: Wees één, O volk van Nederland, voor vierstemmig mannenkoor (ook met orkest); tekst van J.J. de Ruyter, opgedragen aan Orpheus en zijn dirigent Hans Hoven;  uitgave Alsbach & Co. (Amsterdam 1919).
Opus 18: Mariska, het zigeunermeisje, kinderoperette; manuscript.
Opus 25: Blij lacht het leven, voor sopraan en piano alsook voor mannenkoor; tekst van M. van Zanten, opgedragen aan Orpheus.
Opus 33: Plechtige mars voor groot orkest, gecomponeerd ter gelegenheid van de Bevrijding van Nederland op 5 mei 1945.
Opus 36: Marsch voor harmonieorkest, gecomponeerd ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Dordtse Scheidsrechtersvereniging.
Opus 38: Miniatuursymfonie, gecomponeerd voor het Jeugdorkest der Orchest-Vereeniging; uitgave Donemus.

Zonder opusnummer
Aan de toonkunst, voor gemengd koor; uitgave J.P. Revers (Dordrecht), opgedragen aan W. Saal, dirigent van het gemengd koor Jacob Kwast in Wognum.
De stem van Manitou, romantisch zangspel in drie bedrijven, voor solo, koor en orkestpartijen; manuscript.
Een daagje naar zee, cantate voor soli, kinderkoor en orkest; uitgave J.P. Revers (Dordrecht).
Het dorpsfeest, cantate voor soli en kinderkoor met piano- of orkestbegeleiding;  uitgave J.P. Revers (Dordrecht).
Oorlog en vrede, cantate voor kinderkoor, mannenkoor, gemengd koor, sopraan-, alt-, baritonsolo en groot orkest; muziek van Erdelmann, tekst van M. van Zanten, gepubliceerd in het programma- en tekstboekje ten behoeve van het buitengewoon concert in Kunstmin op 22 november 1919; Dordrechtsche Drukkerij- en Uitgevers-mij., 1919.
Wagenrennen in het hippodroom, voor mannenkoor; uitgave Erdelmann, vóór 1918.

Onderscheidingen
Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, 1934.
Ereburger van Dordrecht (gouden penning), 1938.

Bronnen en literatuur
Adresboeken van Barmen van 1872, 1875 en 1889.
Dordrechtsche Courant.
D. Hendriks, Eduard Erdelmann, in: Kwartaal en teken van Dordrecht (Dordrecht 1975, nr. 1).
P. Kooij, V.C. Sleebe e.a., Geschiedenis van Dordrecht van 1813 tot 2000 (Hilversum 2000).
J.H. Letzer, Muzikaal Nederland 1850-1910. Bio-bibliographisch woordenboek van Nederlandsche toonkunstenaars en toonkunstenaressen, alsmede van schrijvers en schrijfsters op muziek-literarisch gebied. Tweede uitgave (Utrecht 1913).
Nederlandse Staatscourant.
Nieuwe Rotterdamsche Courant.
F. Speer, Klaviere und Flügel aus dem Wupperthale – Instrumentenbau in der Wupperregion und am Niederrhein während des 19. Jahrhunderts am Beispiel der Orgel- und Klavierbauerfamilie Ibach, proefschrift, 2000 (http://elpub.bib.uni-wuppertal.de/servlets/DerivateServlet/Derivate-285/d020002.pdf geraadpleegd op 6 februari 2018).
Eduard Erdelmann, in: Merwepost (Dordrecht 1922, nr. 8).
Eduard Erdelmann, in: Merwepost (Dordrecht 1925 nr. 44).

J.W.F. Nieuwold (februari 2018)

 

Sluit het Verborgen Museum