Daniël Pijzel en zijn dochters Ewaldina en Theodora

Portret van Daniël Pijzel

Daniël Pijzel werd 24 december 1806 in Den Haag geboren en overleed 11 juli 1889 te Dordrecht. Hij was de zoon van Daniël Pijzel (Den Haag 19 februari 1773-Den Haag 6 december 1836) goud- en zilversmid, en Allegonda Christina Bachoven (Den Haag 16 april 1770- Dordrecht 24 maart 1842). Hij trouwde driemaal:
1. op 10 mei 1832 in Amsterdam met Anna Rebecca Engelina Bakker (Amsterdam 22 oktober 1809-Rheden 28 juni 1833). Zij was de dochter van Abraham Bakker, koopman, en Anna Schröder (Amsterdam 1773-Amsterdam 1813). Uit dit huwelijk werd geboren: Adelgunda Anna Elisabeth (Rheden 25 mei 1833-Leeuwarden 19 januari 1872), trouwde te Dordrecht op 19 juni 1861 met Rinse Willem Hugo Suringar (Leeuwarden 7 december 1834-1911), boekhandelaar.

2. op 30 mei 1838 in Dordrecht met Anna Geertruida Kist (Dordrecht 10 maart1814-Dordrecht 27 december 1851). Zij was de dochter van Ewaldus Kist (Woerden 9 maart 1762-Dordrecht 20 maart 1822) predikant, en Theodora Cornelia Woutera Brouwer (Dordrecht 1776-Dordrecht 24 maart 1829). Uit het tweede huwelijk werden geboren: Theodora Cornelia Woutera (1839-1923); levenloos (1 maart 1841); Ewaldina Cornelia (6 april 1842-Arnhem 8 januari 1927); levenloos (17 februari 1844); levenloos (29 juli 1845); Ewaldus Daniël (9 september 1846-Hilversum 30 januari 1926); levenloos (18 augustus 1848); Suzanna Wilhelmina (20 september 1849-Renkum 11 september 1936); levenloos (17 december 1851, moeder overleden in kraambed). Alle kinderen werden in Dordrecht geboren. Enige zoon Ewaldus Daniël trouwde op 8 april 1872 in Groningen met Johanna Dorothea Muurling (Groningen 21 augustus 1844-Amsterdam 18 april 1890). Ewaldus Daniël was doctor in de wis- en natuurkunde, een bekwaam letterkundige en componist.

3. op 9 augustus 1854 in Dordrecht met Ewaldina Cornelia Kist (Dordrecht 17 oktober 1813 – Dordrecht 12 februari 1891). Zij was de dochter van Anthonie Ewaldusz Kist (Beesd 1786-Dordrecht 5 april 1841) procureur en raad der stad, en Maria Arnoudina Stoop (1786-Dordrecht 10 maart 1853). De tweede echtgenote van Daniël was een tante van Ewaldina.

Ds. Pijzel heeft in Dordrecht geen blijvende herinnering aan zijn optreden als predikant bewerkstelligd. Hij wordt vooral herinnerd door zijn praktische uitvoering van de zielzorg. Op een enkel artikel na in een Volksalmanak voelde hij zich niet geroepen tot het produceren van theologische geschriften. Hij zocht vooral naar mogelijkheden de levensomstandigheden van zijn medeburgers te verbeteren. Dat betrof in zijn tijd onder andere de gezondheidszorg met alle facetten van voeding, huisvesting, hygiëne, veilig drinkwater et cetera. Hij was de evangelische richting toegedaan en was bestuurslid van het Nederlandse zendelinggenootschap. Pijzel genoot veel aanzien in Dordrecht en stond bekend als ‘den deftigen Pijzel’.

Toen Daniël Pijzel als predikant 7 mei 1837 in Dordrecht zijn intrede deed, waren er al enkele standplaatsen aan vooraf gegaan. Na zijn studie theologie aan de universiteit van Utrecht, vanaf 1824, begon hij in Ellecom (Gld) in 1832 als kandidaat-predikant, vertrok in juni 1835 naar Voorburg en arriveerde in Dordrecht in 1837. Hij werd 7 mei beroepen in de plaats van Jacob Stroeve (1802-1864) die naar Amsterdam was vertrokken. Tot 1860 was Pijzel naast zijn werk als predikant lid van de Synodale Commissie voor het toezicht op een nieuwe gezangenbundel. Grote waardering oogstte hij voor zijn bemoeienis met liefdadigheidswerk. Hij deed dat onder anderen met zijn dochters uit zijn tweede huwelijk, Theodora, Ewaldina en Suzanna. De dames bleven ongetrouwd en vooral de eerste twee bedreven samen met hun vader of zelfstandig liefdadigheid in het laatste kwart van de 19de eeuw, waarin de armoede en werkloosheid omvangrijk waren.

Ewaldina trok zich in 1875 het lot aan van de heel jonge kinderen uit minderbedeelde gezinnen die alleen thuis moesten blijven als beide ouders noodgedwongen uit werken gingen. Zij werd de voorvechtster bij het tot stand komen van een kinderbewaarplaats voor kinderen van zes weken tot en met drie jaar, kinderen ‘te jong om zichzelf voor het gevaar van water en vuur te behoeden’. De oprichtingsvergadering was op 4 februari 1876 bij de familie Pijzel in het huis Henegouwen, noordhoek Wijnstraat/Gravenstraat. De Gezondheidscommissie kreeg een dergelijke opvang vanwege financiële redenen niet van de grond. Dat lukte Ewaldina en enige vriendinnen wel door het bestuur samen te stellen uit dames van rijke kooplieden en stadsbestuurders. Ewaldina trad op als secretaris-penningmeester en huurde een bovenwoning op de Voorstraat 122-128 als onderkomen voor de kinderbewaarplaats.

Een advertentie werd geplaatst en op 21 maart 1876 werden de eerste zes kinderen ingeschreven. Het betrof de kinderen van wasvrouwen en koopvrouwen, ‘vrouwen uit de arbeidende klasse’. Om te benadrukken dat de opvang voor alle gezindten was, bestond het bestuur uit protestante, joodse en katholieke dames. Tegen betaling van 12 cent per dag konden kinderen uit arme gezinnen worden opgenomen. Voor hen waren wiegjes en ledikantjes aanwezig. De opvang was zes dagen open van 8 uur tot 20.30 uur. Schoolgaande kinderen konden er tussen de middag komen eten. Er was een strenge selectie bij de aanname. Alleen kinderen van vrouwen die buitenshuis werkten, kregen een toelatingsbewijs, maar beslist geen buitenechtelijke kinderen of kinderen van soldatenvrouwen. Militairen mochten pas trouwen als hun diensttijd er op zat. Pas in 1905 werd de bepaling over ‘onwettige’ kinderen geschrapt, maar toen had Ewaldina zich al teruggetrokken uit het bestuur.

De kinderbewaarplaats voorzag in een behoefte en een groter onderkomen was dringend gewenst. Dat werd in Voorstraat 142-144 gevonden. Op 4 februari 1878 werd dat grote pand met tuin betrokken. De koopsom van 13.000 gulden werd voor een belangrijk deel voldaan door het plaatsen van obligaties. Ewaldina was belast met de sollicitaties en de inrichting van de tuin met zandbak en speeltoestellen en het beheer van de financiën. In het seizoen 1884/1885 telde de kinderbewaarplaats 176 kinderen uit 135 gezinnen die met elkaar 8.816 keer aanwezig waren. Ewaldina werd benoemd tot erelid toen zij zich in april 1891 terugtrok. De opvang zou tot in de 21ste eeuw als zelfstandig instituut fungeren.

Met haar vader en zuster Theodora bracht Ewaldina in 1885 de noodzaak van een betere gezondheidszorg voor zieke kinderen ter sprake. Tot dan werden die vrijwel altijd thuis verpleegd. Dat was een van de oorzaken van de grote kindersterfte, want de verpleging was ondermaats evenals de voedselvoorziening. Samen met enige notabelen trachtte predikant Pijzel, sinds 1878 met emeritaat, met de hulp van een twaalftal dames, onder wie Ewaldina en Theodora Pijzel, bij de Dordtse burgerij geld in te zamelen voor een kinderziekenhuisje. Dat kon op 4 september 1885 aan de Groenmarkt 64 met drie kinderen worden betrokken. Het succes van de inrichting leidde tot een verhuizing naar een pand aan de noordkant van de Nieuwstraat met de naam Pictura. Een definitieve vestiging kreeg het kinderziekenhuis in 1889 aan de Ferdinand Bolsingel 106 oostzijde, iets vóór de hoek met de Vrieseweg, ongeveer bij de ingang van de Bavinckschool.

De eerste directrice was Ewaldina Pijzel die tevens in het ziekenhuis woonde. Zij stuurde de verpleegsters aan en regelde de huishoudelijke dienst. Onder haar bestuur werd het ziekenhuis voor die tijd modern ingericht: een couveuse, een operatiekamer en een lift waren aanwezig. Bovendien was er een aparte barak voor kinderen met een besmettelijke ziekte. De opgenomen kinderen, gemiddeld ongeveer vijftien, kwamen uit minvermogende gezinnen en werden gratis verpleegd. De artsen werkten allen belangeloos in het kinderziekenhuis. Dit particuliere ziekenhuis was volledig afhankelijk van giften; vanaf 1897 betaalde de gemeente de kosten van kinderen beneden de 14 jaar. Toen het gemeentelijke ziekenhuis van het Beverwijcksplein in 1920 was verhuisd naar de nieuwbouw aan de Bankastraat, werd daar een professionele kinderafdeling ingericht. Daardoor werd het kinderziekenhuis aan de Singel overbodig.

Theodora richtte zich meer op de verpleging van volwassenen. Die zou bij particulieren thuis moeten plaatsvinden, want de ziekenzorg in het gemeentelijke ziekenhuis was slecht. De Vereniging tot bevordering der volksgezondheid nam het initiatief voor de oprichting van de Vereniging tot ziekenverpleging met als doel een deskundige verpleging door goed opgeleide verpleegsters. De dames Theodora Pijzel, mevrouw Delhez-Stoop en mevrouw Stoop-Boonen namen het bestuur op zich. De gegoede burgers meden het ziekenhuis en wilden thuis door goede verpleegsters worden verzorgd. Die kwamen er door de verpleegsters een goede opleiding te geven, ook buiten Dordrecht.

Bovendien werden de verpleegkundigen op eenzelfde adres gehuisvest. In 1885 had de vereniging zes goed opgeleide verpleegsters in vaste dienst. Theodora Pijzel zorgde er voor dat een pand in de Wijnstraat 34b voor de directrice en de verpleegkundigen kon worden gehuurd. In 1888 werden in het huis ook patiënten opgenomen van buiten de stad die in Dordrecht onder behandeling waren. Het pand was vanaf dat moment een particulier ziekenhuisje. De vraag naar verpleegsters van de vereniging werd groter, waardoor uitbreiding gewenst was. In 1892 stelde Theodora Pijzel een groot deel van het pand Henegouwen (Gravenstraat 1) voor het ‘pleegzusterhuis’ beschikbaar. Dominee Pijzel (1889) en zijn derde echtgenote (1891) waren namelijk overleden en Theodora was als oudste dochter eigenares van het kapitale huis geworden. Zij bleef niet in Henegouwen wonen, niet veel later verhuisde zij met haar zuster Suzanna Wilhelmina naar Johan de Wittstraat 23, later naar Singel 152.

Een verzoek in 1896 ook kinderen in het ziekenhuis van de Ziekenverpleging op te nemen werd door het bestuur afgewezen. Die zouden heel goed terecht kunnen in het kinderziekenhuis, een van de projecten van Ewaldina Pijzel. De Ziekenverpleging kwam via de locatie Koningin Wilhelminastraat 22 (1901) in 1916 op haar eindbestemming: hoek Ceramstraat/Bankastraat.

Na het vertrek van de ‘Ziekenverpleging’ uit Henegouwen in 1901 stelde Theodora Pijzel de ruimte beschikbaar aan de vereniging voor doofstommenonderwijs die sinds 1899 gehuisvest was in het voormalige weeshuis Bethel aan de Wolwevershaven. Dat pand voldeed niet langer en Theodora droeg het huis Henegouwen in eigendom over aan de christelijke vereniging Effatha [= word geopend (van oren en tong; zie Marcus 7:34)] tegen een jaarlijkse tegenprestatie van 125 gulden per jaar. De schenking werd toen getaxeerd op 13.000 gulden. In 1902 namen 24 dove leerlingen met hun binnenvader en –moeder bezit van het huis. In 1907 werden plannen gemaakt voor klaslokalen met blinde muren aan de kant van de Gravenstraat en uitzicht op de grote tuin aan de andere zijde. Theodora Pijzel verkocht Effatha de betrokken huisjes in de Gravenstraat en de lokalen werden gerealiseerd. De voormalige slaapzalen in Henegouwen werden verbouwd tot slaapvertrekken. Effatha verliet Dordrecht in 1926 en betrok in Voorburg twee buitenplaatsen. Henegouwen werd in 1926 verkocht aan een handelaar/projectontwikkelaar in huizen. Ds. Pijzel en Theodora waren toen al overleden, Ewaldina overleed in Arnhem in 1927.

Bronnen
RAD: toegang 234, 256.
http://www.dordtenazoeker.nl
A. Knecht-van Eekelen, Naar een rationele zuigelingenvoeding, dissertatie (Nijmegen 1984), p. 70-75.
C. den Bakker, Honderd jaar verpleging van kinderen in Dordrecht, in: Reformatorisch Dagblad van 2 mei 1985.
J.L. Kool-Blokland, Zeven eeuwen ziekenverzorging in Dordrecht en Sliedrecht (Dordrecht 1995).
J. Bouman, Een liefderijke behandeling (Dordrecht 1996).
Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 4 (Kampen 1998), p. 362.
C. Esseboom en E. van Kammen, Gezondheidszorg, in: Geschiedenis van Dordrecht 1813 tot 2000 (Hilversum 2000).
E. van Heiningen, Hoekstenen van historisch Dordrecht (Dordrecht 2005), p. 6-9.

Cees Esseboom (oktober 2017)

Sluit het Verborgen Museum