Cornelis Willemsz van Beveren

06-06-1591 (Dordrecht)  -  17-07-1663 (Dordrecht)

Gegraveerd portret van Cornelis Willemsz van Beveren door J. Suyderhoef uit Matthijs Balen, Beschrijvinge der stad Dordrecht, 1677 met drieregelig vers (Regionaal Archief Dordrecht 551-10823).

Gedoopt Dordrecht 6 juni 1591, overleden aldaar 17 juli 1663, begraven in de H. Kruiskapel in de Grote Kerk. Zoon van Willem Cornelisz van Beveren (1556-1631), heer van Strevelshoek en Develstein, vele malen burgemeester van Dordrecht, gedeputeerde bij de Staten van Holland en de Staten-Generaal en rentmeester-generaal van Zuid-Holland, en van Emerentia Karelsdr van den Eynde (1583-1632). Kleinzoon van Cornelis Pietersz van Beveren (1524-1586), de eerste gereformeerde burgemeester van Dordrecht, en Maria van der Valck. Gehuwd Dordrecht 28 mei 1617 met Christina Pijl of Pyll (gedoopt Dordrecht augustus 1601, begraven Dordrecht 9 mei 1652), dochter van Johan Pijl Jansz, schepen van Dordrecht, en van Mondina Adriaansdr de Jonge (of ’t Jong).

Uit dit huwelijk vijf zoons en zes dochters, van wie in leven bleven:
Adriana (1618-1678), gehuwd met Michiel Pompe Michielsz (1613-1639), heer van Meerdervoort en Kort-Ambacht, schepen van Dordrecht, in1637 inde Engelse adelstand verheven;
Mondina (1622-1651), gehuwd met Matthijs Pompe (1621-1679, broer van bovengenoemde Michiel Pompe), vrijheer van Slingelandt, heer van Dordsmonde, Carnisse en Waalsdorp, schepen van Dordrecht, vanaf 1653 baljuw van Zuid-Holland, in 1644 door de keizer tot baron van het Heilige Roomse Rijk verheven;
Willem (1624-1672), heer van Strevelshoek, schepen van Dordrecht, baljuw van het Land van Strijen, rentmeester-generaal van Zuid-Holland, gedeputeerde ter Staten-Generaal, in 1671 benoemd tot resident van de Republiek in Spanje maar bij de uitreis van Texel overleden, gehuwd met Cornelia Gerardsdr Schaep;
Johan (1626-1673), kolonel, in het rampjaar 1672 commandeur van Amsterdam, gehuwd met Maria Sweers de Weerd;
Christina (1632-1656), gehuwd met Govert Barthoutsz van Slingelandt (1620-1690), pensionaris van Dordrecht, secretaris van de Raad van State, gezant naar Brandenburg (Pruisen), Denemarken, Zweden en Polen;
Cornelis (1634-1689, heer van De Lindt en West-IJsselmonde, burgemeester van Dordrecht, baljuw en dijkgraaf van de Merwede, generaal van de Munt van de Republiek, gehuwd met Adriana van Wouw;
Charles (1636-1653), gesneuveld in de zeeslag bij Ter Heyde tegen Engeland.

Als een van de meest vooraanstaande regenten van Hollands eerste stad en vader van een groot aantal kinderen op belangrijke posities was Cornelis van Beveren, ook wel De Bevere geheten, in zijn tijd een van de machtigste personen van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën. Zijn machtsbasis lag in de stad Dordrecht en zuidelijk Holland, maar hij vervulde verscheidene sleutelfuncties op federaal niveau en als succesvol gezant. Daarnaast maakte hij naam als mecenas van letteren en kunsten op zijn buitenplaats Develstein in de Zwijndrechtse Waard.

Net als zijn vader was Cornelis Willemsz op politiek gebied staatsgezind en volgde hij op religieus vlak de rekkelijke opvatting van de gereformeerde leer die de Leidse hoogleraar Jacobus Arminius had voorgestaan maar die op de Synode van Dordrecht (1618-1619) werd veroordeeld. Ondanks zijn Arminiaanse en liberale standpunten kon Cornelis’ vader zijn positie aan het hoofd van de stedelijke regering na de wetsverzetting door prins Maurits in 1618 handhaven wegens zijn erkende verdiensten als staatsman, met name bij de vredesonderhandelingen met Spanje van 1607. Daardoor kon de uitgebreide en kinderrijke familie Van Beveren, rijk geworden in de hout- en wijnhandel, haar reeds belangrijke machtsbasis in Dordrecht behouden en verstevigen.

Al in hun eigen tijd stonden de Van Beverens in de Republiek symbool voor de intensieve verzwagering van de regentengeslachten. Hun uitgekiende huwelijkspolitiek bracht vooral in Dordrecht een bijna onontwarbare vervlechting van de leden van de heersende bestuurselite mee, die het mogelijk maakte dat broers, neven, achterneven en andere verwanten de plaatselijke ambten onderling konden verdelen. Zo werden in de zeventiende en achttiende eeuw enkele uitgebreide belangengroeperingen gevormd, de befaamde politieke facties, die scherp tegenover elkaar stonden maar desondanks een machtsevenwicht nastreefden om hun familiebelangen te kunnen verduurzamen. De factie-Van Beveren gold als een van de sterkste, maar na Cornelis Willemsz’ dood verschoof het overwicht feitelijk naar de factie-De Witt.

Na de Latijnse school te hebben doorlopen onder de geleerde rector Gerardus Johannes Vossius studeerde Cornelis Willemsz rechten te Leiden. Vervolgens maakte hij in 1612-1613 samen met enkele vrienden en verwanten een studie- en educatiereis (grand tour) door Frankrijk, Duitsland en Zwitserland. Het dagboek dat hij toen bijhield, is bewaard gebleven. In 1613 promoveerde hij in de rechten te Orléans. Na zijn terugkeer werd hij op 3 oktober 1617 geadmitteerd als advocaat voor het Hof van Holland, het gebruikelijke beginpunt van een regentencarrière. Van 1618 tot 1652 was hij raad en rentmeester-generaal van Zuid-Holland, als opvolger van zijn vader.

Tegelijkertijd vormt zijn carrière een uitstekend voorbeeld van de gangbare regentenloopbaan te Dordrecht, die steeds een groot aantal nevenfuncties in het bestuur van de stedelijke instellingen meebracht. Hij werd veertigraad in 1622, schepen in 1622, en elf maal burgemeester van de stad tussen 1626 en 1650. Cornelis werd tussen 1626 en 1650 vele malen gekozen tot gecommitteerde voor de stadszaken. In 1626 werd hij artilleriemeester (vanwege de stad belast met het toezicht over de vuurwapens), kolonel van de burgerij (commandant van de elf burgercompagnieën) en regent van het oude Mannen- en Vrouwenhuis en het jaar daarop regent van de Broodzusters, schutmeester van de Voetboogschutters en curator van de Latijnse school. Andere functies die Cornelis vervulde waren die van regent van het Heilige Geesthuis in 1632, weesmeester in 1638-1639, kerkmeester in 1642 en curator van de stedelijke bibliotheek in 1657. Tenslotte was hij nog baljuw en dijkgraaf van het Land van Strijen en dijkgraaf van de Zwijndrechtse Waard.

Zijn stedelijke ambten gaven hem ook toegang tot de verkiezing in gewestelijke ambten en federale functies. Tussen 1628 en 1656 was hij gedeputeerde namens Dordrecht en achtmaal gecommitteerde raad in de Staten van Holland en West-Friesland; in 1639, 1646 en 1647 was hij gedeputeerde in de Staten-Generaal. Vanaf 1644 was hij curator van de Leidse Academie. Hij maakte al vroeg naam als een gewiekst onderhandelaar. In 1631-1632 werd hij dan ook als buitengewoon ambassadeur van de Republiek naar Denemarken en Hamburg gezonden om de Deense koning ertoe te bewegen de tollen langs de Elbe af te schaffen. In 1636 ging hij namens de Republiek als gezant naar het hof van St. James in Engeland om aan koning Karel I en zijn familie geschenken over te brengen, de verstandhouding met dat land te verbeteren en de handel te bevorderen. In 1644 werd hij naar Zweden gezonden, maar voor die opdracht excuseerde hij zich. Zijn benoeming tot gezant in Parijs in 1648 werd echter door de Fransen zelf tegengehouden wegens zijn anti-Franse opstelling. In 1651 werd hij namens de Staten van Holland naar Utrecht afgevaardigd om dat gewest ertoe te bewegen deel te nemen aan de Grote Vergadering van 1651, waarbij de staatsvorm van de Republiek moest worden geregeld nu haar onafhankelijkheid bij de Vrede van Munster (1648) definitief door alle Europese landen was erkend. En in 1660 werd hij, bijna 70 jaar oud, door de Staten-Generaal naar Breda gestuurd om de daar in ballingschap levende Karel II geluk te wensen met zijn aanstaande troonsbestijging als koning van Engeland.

Cornelis was (ambachts)heer van Strevelshoek, Develstein, West-IJsselmonde (1633) en De Kleine Lindt. Hij werd in 1638 de derde baron van de Merwede wegens Dordrecht (de heerlijkheid van de Merwede was in 1603 door Dordrecht aangekocht en namens de stad trad steeds een burgemeester als leenheer op, de ‘baron’). In november 1635 verhief koning Lodewijk XIII van Frankrijk hem en zijn nageslacht in de adelstand, in de ridderlijke orde van St.-Michiel.

Het in 1572 door de Spanjaarden in brand gestoken slot Develstein in de Zwijndrechtse Waard was al in 1594 door zijn vader aangekocht en gerestaureerd; in 1824 werd het weer gesloopt. In navolging van zijn vader maakte Cornelis van Develstein zijn favoriete buitenplaats waar hij een grote collectie boeken en schilderijen bijeenbracht. Het werd een centrum van culturele activiteiten, waar Dordtse dichters, musici, geleerden en kunstenaars, mannen zo goed als vrouwen, elkaar konden ontmoeten, hun werk presenteerden en gedichten aan elkaar opdroegen. Die literaire kring was op initiatief van pensionaris Jacob Cats opgericht, zoals de Muiderkring van P.C. Hooft op slot Muiden; maar volgens sommigen is het bestaan ervan als georganiseerde kring onzeker. Ook Cornelis schreef vele gedichten en met het oog op zijn adelspretenties documenteerde hij de geschiedenis van zijn geslacht. Tevens onderhield hij nauwe betrekkingen met de Pompes op het nabijgelegen slot Meerdervoort; twee zoons van Michiel Pompe senior trouwden met twee dochters Van Beveren.

In 1635 bouwde Cornelis de hofstede en buitenplaats Dordwijk aan de Dubbeldamseweg (nu de Dordwijklaan). Twee grote huizen met classicistische pilastergevels herinneren in Dordrecht nog aan de macht van de familie: ”t Bever-Schaep’ (Korte Engelenburgerkade 8), in 1658 gebouwd in opdracht van Cornelis’ zoon Willem en diens vrouw Cornelia Schaep; en ‘De Onbeschaamde’ (Wijnstraat 123-125), in 1650 gebouwd door architect Pieter Post in opdracht van Cornelis’ neef Abraham Cornelisz van Beveren (1604-1663), ambachtsheer van Oost-Barendrecht.

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht, archiefblok 123: Collectie van bescheiden met betrekking tot de familie De Bevere (Van Beveren).
Centraal Bureau voor Genealogie, Familiearchief Beelaerts van Emmichoven, inv. nr 119: Dagboek van de Grand Tour van Cornelis van Beveren, 1612-1613.
NNBW III, kol. 108-109; Balen II, p. 965-968.
J.L. van Dalen, De Dordtsche dichtschool, in: De Tijdspiegel, jg. 1905-II, p. 160-189.
M.A. Beelaerts van Blokland, Het Dordtsche geslacht Van Beveren, in: De Nederlandsche Leeuw, jg. 61 (1943), kol. 161-171.
O. Schutte, Repertorium der Nederlandse vertegenwoordigers residerende in het buitenland 1584-1810 (‘s-Gravenhage 1976), p. 390-391.

Willem Frijhoff (maart 2014)

Sluit het Verborgen Museum