Cornelis Pietersz van Beveren

1524 (Dordrecht)  -  27-01-1586 (Dordrecht)

Gegraveerd portret van Cornelis van Beveren door Godfried Schalcken naar een schilderij van Samuel van Hoogstraten, uit Matthijs Balen, Beschrijvinge der stad Dordrecht, 1677, met achtregelig vers (Regionaal Archief Dordrecht 551-10822).

Geboren Dordrecht (mogelijk Schiedam) circa 1524, overleden Dordrecht 27 januari 1586, begraven in de Quekelkapel in de Augustijnenkerk (thans beter bekend als de Van Beverenkapel). Zoon van Pieter Willemsz van Beveren (overleden 1554), burgemeester van Schiedam 1531-1536, zeker vanaf zijn tweede huwelijk actief in Dordrecht, schepen van Dordrecht in 1548 en 1551, burgemeester van het gerecht 1551-1553, gedeputeerde ter dagvaart in Den Haag en in Brussel; in 1520 te Schiedam gehuwd met Alida Muys van Holy (dochter van Jacob Muys van Holy, burgemeester van Schiedam). Na haar overlijden in 1538 hertrouwde Pieter Willemsz te Dordrecht in 1541 met Engelberta Willemsdr van der Linde (weduwe van Johan Oem Jacobsz), die in 1573 overleed.

Cornelis Pietersz huwde in 1548 (huwelijkse voorwaarden 7 januari) te Leerdam Maria van der Valck, geboren Leerdam, overleden Dordrecht 12 december 1576, dochter van Gijsbert Dircksz van der Valck, drossaard van Leerdam, en Maria Quekel van Wieldrecht. Uit dit huwelijk:
Maria (1551-1634), eerst gehuwd met Adam Voogd, wijnkoper uit Straatsburg, als aanhanger van de Hervorming uit Dordrecht gevlucht; vervolgens met Cornelis Ryser (overleden 1606), uit Middelburg, doopsgezind;
Alida (1552-1606), gehuwd met Johan Jacobsz van Mewen, commissaris van de Munt van Holland (toezichthouder namens de Staten), ontvanger van de tol te Geervliet;
Jacomina (1555-1639), gehuwd met Cornelis Willemsz de Witt (1550-1597), lid van het houtkopersgilde, lid van de achtraad in 1594;
Willem Cornelisz (1556-1631), schepen van Dordrecht 1591, burgemeester in 1595-1598, 1602-1603, 1608-1609 en 1617-1618, gehuwd met Emerentia Karelsdr van den Eynde;
Lidewy (1557-1636), gehuwd met Johan Johansz van Someren, commissaris van de fortificatiën;
Clara (1563-….), gehuwd met Hendrik van Dilsen, wijnkoper te Dordrecht;
Pieter Cornelisz (1569-….), vanaf 1601 muntmeester-generaal van de Republiek, achtereenvolgens gehuwd met Susanna Lopes Surano, Maria Adriaansdr van Berckel en Maria Willemsdr van Dilsen.

Het geslacht Van Beveren (de naam werd later ook wel verfranst tot De Bevere) speelde gedurende meer dan drie eeuwen een vooraanstaande rol in de Dordtse samenleving en met name in het stadsbestuur. Al vóór de Hervorming was de familie toonaangevend in de Dordtse handel, vooral als hout- en wijnkopers. Hout voor de huis- en scheepsbouw was een van de belangrijkste handelsproducten van Dordrecht, waar regelmatig grote houtvlotten uit Duitsland aankwamen. De handel in Rijnwijn, ook al via Rijn, Waal en Merwede, was eveneens een Dordtse specialiteit. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw komen Van Beverens voor als Dordtse regenten, vanaf de zestiende eeuw ook in de belangrijkste ambten, die van burgemeester en gedeputeerde naar de gewestelijke Staten.

De positie van de familie in stad en gewest werd versterkt door Cornelis Pietersz van Beverens keus voor de Hervorming en zijn vooraanstaande rol als eerste gereformeerde burgemeester van Dordrecht in 1572. Vanaf dat ogenblik waren altijd wel een of meer Van Beverens, broers of neven of hun zwagers, in de belangrijkste stedelijke ambten vertegenwoordigd. In de zeventiende eeuw kwam in Dordtse regentenkringen een machtsevenwicht tot stand tussen twee grote, kinderrijke, clans die de machtsposities onderling verdeelden: de clan-Van Beveren en de clan-De Witt. Dordrecht werd daardoor het toonbeeld van een republikeinse ‘familieregering’. Beide familieclans waren staatsgezind en wekten zowel bij degenen die van het machtsspel werden uitgesloten (zoals de politiek actieve intellectueel Johan Walen) als bij de aanhangers van de Oranje-stadhouders binnen en buiten de stad diepe gevoelens van haat op, waarvan eerst Jacob de Witt in 1650 en vervolgens zijn zoons Johan en Cornelis de Witt in 1672 het slachtoffer werden. De Van Beverens ontsnapten aan dat lot, maar hun invloed taande vanaf de jaren 1660, toen de clan-De Witt het overwicht kreeg.

Cornelis Pietersz van Beveren werd gildebroeder van het Dordtse kuipersgilde in 1550 en commissaris tot het maken van de keuren van dat gilde in 1570. Eveneens in 1550 werd hij waterschepen (ambtenaar die toezicht moest houden op het nakomen van de bepalingen van het waterrecht) en grachtmeester (toezichthouder op de uitdieping, schoeiing en het onderhoud van de grachten), twee typisch Dordtse functies. In 1562 werd hij vanuit de gilden gekozen tot lid van de achtraad. In 1565 werd hij deken van de schutterij en in 1577 schutmeester van de Kruisboogschutters. In 1570-1572 was hij raad van de stad. Toen de Opstand tegen het Spaanse optreden in de Nederlanden ook Dordrecht in zijn greep kreeg, was Cornelis Pietersz juist tot raad benoemd. Hij werd al snel erkend als een van de leiders van het verzet tegen de landsheer. Zijn vooraanstaande rol had hij mede te danken aan zijn prudente politieke optreden.

Ondanks zijn duidelijke persoonlijke keuze voor de Opstand en de Hervorming probeerde hij het evenwicht tussen de partijen in Hollands eerste stad te handhaven, tegen de scherpe vervolging door de koningsgezinde schout Jan van Drenckwaert in. In zijn functie van oudraad probeerde Cornelis in 1572 samen met burgemeester Arend van der Mijle vóór alles de rust en orde in de stad te bewaren. Er vond in Dordrecht dan ook geen jacht op de rooms-katholieken en hun heiligdommen plaats; de religieovergang verliep er zo ordelijk als in de omstandigheden mogelijk was.

Toen Bossu, de stadhouder van de koning, na de inname van Den Briel door de geuzen (1 april 1572) met zijn Spaanse troepen door Dordrecht wilde trekken, weigerde burgemeester Van der Mijle hem de toegang tot de stad en wist hem tot aftocht te bewegen. Op 23 juni van dat jaar werd Cornelis van Beveren door de stad afgevaardigd om met de geuzen te gaan onderhandelen, samen met de dekens van de gilden. Inzet was de erkenning van het stapelrecht, waarborging van de vrije scheepvaart, behoud van de kerkelijke goederen en eerbiediging van het recht van burgers die dat wilden om de stad met hun bezittingen te verlaten. Op 25 juni werd een verdrag met de geuzen gesloten waarbij de stad zich onder gezag van de prins van Oranje als stadhouder van de koning van Spanje stelde en Alva als landvoogd werd afgewezen. Kort daarop vond (volgens de overlevering onder de lindeboom in de Kloveniersdoelen) de eerste openlijk gereformeerde dienst plaats en trad Cornelis van Beveren op als doopheffer bij de eerste vier gereformeerde dopen; later werd hij ook kerkmeester. De actieve katholieken kregen daarop de gelegenheid met have en goed de stad te verlaten, de zogenoemde glippers; schout Drenckwaert en burgemeester Van der Mijle vertrokken dan ook.

Het prestige dat Cornelis van Beveren zich met zijn verstandige optreden verwierf, vertaalde zich in zijn bezending vanwege de stad naar de prins van Oranje in Delft en zijn herhaalde verkiezing tot burgemeester. In 1572-73 werd hij de eerste gereformeerde burgemeester, in 1578, 1579, 1580 en 1585 werd hij herkozen. Tijdens zijn eerste burgemeesterstermijn kwamen op 19 juli 1572 de Staten van Holland in Dordrecht voor het eerst bijeen zonder de toestemming van koning Filips II. De eerste vrije Statenvergadering was daarmee een feit. Op 7 oktober van dat jaar werd de katholieke geestelijkheid uit de stad verdreven. Eerst daarna werden de kerken door de aanhangers van de nieuwe leer overgenomen. In later jaren trad Cornelis ook in het gewest meer op de voorgrond. Zo werd hij in oktober 1572 naast de prins van Oranje commissaris van financiën (toezichthouder op de financiën van het opstandige gewest). Als afgevaardigde van Dordrecht speelde hij een actieve rol in de vergadering van de Staten-Generaal die in 1576 op eigen initiatief in Gent bijeenkwamen; de betrokken gewesten tekenden daar de Pacificatie waarbij zij zich gezamenlijk achter de Opstand schaarden. Tenslotte werd hij in 1581 raad van de prins en lid van de Generale Landraad, het eerste zelfstandige wetgevend orgaan van de Verenigde Provinciën, de voorganger van de Raad van State.

Cornelis van Beveren bewoonde het huis Sint-Eeuwoud in de Wijnstraat. Het Van Beveren-huis De Onbeschaamde in de Wijnstraat is in 1650 door een van zijn nakomelingen gebouwd. De Amsterdamse hoogleraar Caspar Barlaeus (1584-1648) schreef later een Latijnse elegie op zijn persoon en zijn rol in de Opstand.

Literatuur
NNBW III, kol. 107-108; Balen II, p. 959-961.
G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I (Utrecht 1841), p. 37, 45-60.
Catalogus Opstand en onafhankelijkheid. Eerste Vrije Statenvergadering Dordrecht 1572 (Dordrecht 1972).
Peter Schotel, Strijd om de macht, in: Geschiedenis van Dordrecht, II (Hilversum 1998), p. 15-19.

Portret
In de Catalogus Opstand en onafhankelijkheid worden geschilderde portretten van Cornelis van Beveren uit 1579 en van zijn vrouw Maria van der Valck uit omstreeks 1570 genoemd. Het eerste wordt toegeschreven aan Jan Doudijn, het tweede aan Doudijn of Claes Snellaert (circa 1540-1602).

Willem Frijhoff

Sluit het Verborgen Museum