Cornelis de Witt

25-06-1623 (Dordrecht)  -  20-08-1672 (Den Haag)

Portret van Cornelis de Witt door Jan de Baen (Dordrechts Museum).

Geboren te Dordrecht op 25 juni 1623, overleden te Den Haag op 20 augustus 1672. Oudste zoon van Jacob de Witt (1589-1674) en Anna van den Corput (1599- 1645). Broer van raadpensionaris Johan de Witt (1625-1672). Huwelijk te Den Haag op 21 september 1650 met Maria van Berckel (1632-1706). Uit dit huwelijk 9, mogelijk 10 kinderen van wie er 4 of 5 jong overleden. Maria van Berckel was de dochter van de vooraanstaande Rotterdamse regent Johan van Berckel (1603-1662) en Elisabeth Prins (? – overleden vóór 1640).

Cornelis stamt uit een voorname Dordtse familie van houtkopers en regenten. Vanaf de veertiende eeuw bekleedden familieleden posten in het stadsbestuur. Vader Jacob de Witt was onder meer burgemeester van Dordrecht, penningmeester van de Dordtse Synode (1618-1619) en gezant naar Denemarken en Zweden, een reis waarbij Johan en Cornelis hun vader vergezelden (1644). Oom Andries de Witt (1573-1637) werd na Johan van Oldenbarnevelts gevangenneming in 1618 tijdelijk raadpensionaris van Holland tot 1621. Cornelis bekleedde meerdere bestuursfuncties. Hij heeft sinds het begin van de twintigste eeuw vrijwel steeds een slechte pers gehad. Hij wordt beschreven als ijdel, arrogant, opportunistisch en niet bijster intelligent. Zijn positie zou hij vooral te danken hebben gehad aan broer Johan. De Haan komt echter tot enige nuancering van deze beeldvorming. Onkreukbaar was Cornelis zeker; zo kon de Franse gezant d’Estrades slechts vier onkreukbare en onomkoopbare Hollandse regenten noemen: Van Beuningen, Beverningk en de gebroeders de Witt).

De klassieke opvoeding die Cornelis thuis ontving werd gekenmerkt door nadruk op godsvrucht, discipline en een neostoïcijnse levenshouding. Vanaf zijn zesde jaar kreeg hij huisonderwijs. Hij werd in 1635 leerling van de Latijnse school in Dordrecht onder de geleerde rector Isaac Beeckman (1588-1637). Op 24 oktober 1641 schreef hij zich in als rechtenstudent aan de Universiteit van Leiden. Na zijn studie voerde de gebruikelijke Grand Tour (1645-1647) Johan en Cornelis naar Frankrijk en Engeland. Zij promoveerden beiden op 22 december 1645 te Angers in de rechten. Na terugkeer in de Republiek scheidden zich hun wegen. Cornelis legde op 8 oktober 1647 de eed af voor het Hof van Holland en vestigde zich als advocaat in Dordrecht. Al in 1648 werd hij daar gekozen tot schepen.

Na de staatsgreep en het vroegtijdig overlijden van stadhouder Willem II in 1650, lag de weg naar hogere ambten open. Cornelis werd lid van de Rotterdamse admiraliteit (1652), ruwaard van Putten (1654), baljuw van de Beyerlanden (1660) en burgemeester van Dordrecht (1666). Enkele weken voordat de prinsbisschop van Munster op 20 september 1665 de Republiek de oorlog verklaarde, (Eerste Munsterse oorlog, 1665-1666) werd hij benoemd tot gecommitteerde te velde. Hij hield mede toezicht op het Staatse leger dat zich onder leiding van Johan Maurits van Nassau-Siegen (bijgenaamd de Braziliaan, 1604-1679) tot achter de IJssel moest terugtrekken. In 1667 had hij als gedeputeerde van de Staten-Generaal de leiding op de vloot bij de riskante tocht naar Chatham tegen welke onderneming De Ruyter en zijn kapiteins ernstige bezwaren hadden. Zijn terugkeer in Dordrecht op 17 september 1667 na de klinkende overwinning op de Engelsen werd op grootse wijze gevierd: hij werd als een held ingehaald. Cornelis was op het toppunt van zijn macht en roem. Van de Staten van Holland ontving hij als dank voor bewezen diensten en betoonde dapperheid een kostbare gouden beker, vervaardigd door de goud -en zilversmid Nicolaas Loockemans (thans in het Louvre). Het Gerecht van Dordrecht gaf Jan de Baen opdracht tot het schilderen van Cornelis temidden van de gevechtshandelingen op en rond de rivier de Medway; dit allegorische schilderij werd in de grote zaal van het Dordtse stadhuis gehangen maar bij de onlusten van 1672 vernield. Deze Tweede Engelse oorlog (1665-1667) werd afgesloten met de voor de Republiek gunstige vrede van Breda. Een week na de ondertekening van het vredesverdrag namen de Staten van Holland het Eeuwig Edict aan, waarbij het stadhouderschap in Holland voor eeuwig werd afgeschaft. In 1667 werd Cornelis curator van de Leidse universiteit, in 1669 lid van de gecommitteerde raden van het Zuiderkwartier en in het voorjaar van 1672 gezant van de Staten-Generaal bij de onderhandelingen in Brussel met de Spaanse landvoogd over mogelijke hulp in geval van oorlog met Frankrijk.

In het Rampjaar 1672 werd de Republiek aangevallen door Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. De kritieke situatie in het land deed de roep om prins Willem III (1650-1702) tot stadhouder te verheffen steeds luider klinken. De Staten-Generaal benoemden Cornelis nogmaals tot gedeputeerde op de vloot tijdens de Derde Engelse Oorlog (1672-1674). Hier maakte hij de bloedige slag bij Solebay mee (7 juni 1672). Zijn gedrag tijdens Chatham en Solebay bewees dat het hem niet ontbrak aan persoonlijke moed. Op 24 juni 1672 keerde Cornelis ziek terug van de vloot en verbleef thuis in Dordrecht.

Eind juni 1672 werd een moordaanslag op hem gepleegd. Vier mannen drongen het huis aan de Grotekerksbuurt binnen, maar alert personeel wist de wacht van het nabijgelegen stadhuis te alarmeren, waarop het viertal de wijk nam. Daarmee waren de problemen nog niet ten einde. Onder druk van het opstandige volk ondertekenden de leden van de Oudraad een door stadssecretaris Arend Muys van Holy opgesteld document waarin het Eeuwig Edict werd herroepen. Muys van Holy en kapitein van de schutterij Gijsbert Hoogerwerff confronteerden Cornelis op zijn ziekbed met de eis de herroeping ook te ondertekenen, hetgeen hij weigerde. Onder bedreiging van het volk dat trachtte binnen te dringen en na heftig aandringen van zijn vrouw Maria tekende hij, maar zette achter zijn naam: ‘vc’ (dat is: vi coactus, door geweld gedwongen). Muys van Holy en Hoogerwerff eisten nu dat deze toevoeging zou worden verwijderd. Dit weigerde de ruwaard. Maria greep echter de pen en maakte de letters onleesbaar.

Enkele dagen na dit voorval, op 7, volgens anderen op 8 juli 1672, meldde Willem Tichelaar, een niet al te gunstig bekend staande barbier uit Piershil en Geervliet in Cornelis’ rechtsgebied Putten zich bij Cornelis met de mededeling dat hij iets bij zich had dat hij de ruwaard wilde openbaren mits het geheim bleef. De Witt gaf te kennen dat indien het een goede zaak betrof hij kon voortgaan, maar betrof het een kwade zaak dan zou hij justitie inschakelen, waarop Tichelaar vertrok. Meer dan dat is over dit gesprek niet bekend. Tichelaar meldde zich vervolgens in het kamp van prins Willem III in Bodegraven. Pas op 23 juli 1672 legde Tichelaar daar een zeer belastende verklaring af: Cornelis zou hem gevraagd hebben Willem III om het leven te brengen. Cornelis werd de volgende dag in Dordrecht door advocaat-fiscaal Jacob Ruysch wederrechtelijk gearresteerd (het stadsprivilege werd hiermee geschonden) en gevangen gezet, eerst in de Kastelenij aan het Binnenhof, daarna in de Gevangenpoort. Hij werd herhaaldelijk door de rechters van het Hof van Holland verhoord, maar hij bleef ontkennen en hield zijn onschuld ook onder foltering vol.

Het proces tegen Cornelis werd gevoerd onder toenemende druk van het volk dat te hoop was gelopen en van zijn schuld overtuigd scheen. Op 20 augustus deed het Hof uitspraak, echter zonder dat een verdediger aan het woord was geweest. Tichelaar werd net als de andere raddraaiers door prins Willem III beloond. Cornelis werd van zijn waardigheden vervallen verklaard en levenslang uit Holland verbannen, zonder opgaaf van redenen en zonder schuldig te zijn verklaard. Die uitspraak van het Hof was echter niet naar de zin van de toegestroomde menigte. Tichelaar en anderen wisten een volksbeweging op gang te brengen. Toen Johan diezelfde dag Cornelis kwam ophalen uit de Gevangenpoort en de ruiterij bevel had gekregen zich vandaar terug te trekken, waarmee de bescherming verdween, werden de broers door toegestroomde oranjegezinde burgers en schutters gelyncht. Hun lijken werden aan de galg op het Haagse Groene Zoodje (de tegenwoordige Plaats) opgehangen en verminkt; de stoffelijke resten werden een dag later bijgezet in de Nieuwe Kerk.

Bronnen en literatuur
N. Japikse: Cornelis de Witt, in: N.N.B.W. deel 3, kolom 1450-1453.
J. L. van Dalen, Mr. Cornelis de Witt (Dordrecht 1918).
J. en A. Romein, Johan de Witt. Ruwaard der vrijheid, in: Erflaters van onze beschaving (Amsterdam 1938/1940).
J. Huizinga, Een nieuw boek over Jan de Witt, in: Verzamelde werken deel 1, (Haarlem 1948), p. 74-85.
H.H. Rowen, John de Witt, Grand Pensionary of Holland 1625-1672. (Princeton University Press 1978).
J. de Haan, De schaduw van Cornelis (Amsterdam 2002).
L. Panhuysen, De Ware Vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt (Amsterdam 2005).
W. Vroom,  Het wonderlid van Jan de Witt en andere vaderlandse relieken. (Nijmegen 1997).

Standbeeld
Johan en Cornelis de Witt door Toon Dupuis (1918) op de Visbrug te Dordrecht.

Schilderijen
Jan de Baen, Verheerlijking van Mr. Cornelis de Witt, 1667 (Rijksmuseum Amsterdam).
Jan de Baen, Portret van Cornelis de Witt, 1667-1670 (Dordrechts Museum).
Cornelis Bisschop, Cornelis temidden van de regenten en regentessen van het Heilig Sacramentsgasthuis, 1671 (Dordrechts Museum).
Jan de Baen, De lijken van de gebroeders Jan en Cornelis de Witt op het Groene Zoodje, 1672 (Rijksmuseum Amsterdam).

Roel Leentvaar (augustus 2012)

Sluit het Verborgen Museum