Cornelis de Gijselaar

19-02-1751 (Gorinchem)  -  29-05-1815 (Leiden)

Borstbeeld van Cornelis de Gijselaar in medaillon met randschrift. Gravure uit een serie portretten van patriotten, 1787 (Regionaal Archief Dordrecht 551-10904).

Geboren op 19 februari 1751 in Gorinchem. Hij overleed op 29 mei 1815 in Leiden. Hij was de oudste zoon van mr. Nicolaas de Gijselaar (1712-1780), schepen, raadpensionaris en burgemeester van Gorinchem, en Johanna Maria van Borcharen (1726-1787), wier vader ook tot de regenten van Gorinchem behoorde. Gehuwd op 1 februari 1784 in Den Haag met Catharina Geertruida Heerega (Leiden 7 februari 1751-Brussel 2 april 1799). Uit hun huwelijk drie kinderen: Johanna Maria (1787-1851), Geertruida Cornelia Henrietta (1789-1871) en Nicolaas Cornelis (1792-1873). Johanna Maria huwde Cornelis Johannes Kneppelhout (1778-1818) en hun oudste kind was Johannes Kneppelhout (1814-1885) die in de negentiende eeuw als letterkundige faam zou verwerven.

Cornelis de Gijselaar was jurist, tweede pensionaris van Gorinchem en later tweede pensionaris van Dordrecht. Hij vertegenwoordigde Dordrecht in de Staten van Holland. Al kort na zijn aantreden in Dordrecht werd hij beschouwd als eerste pensionaris. Hij was een vooraanstaande patriot en anti-Engels. Hij leidde het onderzoek naar het dramatisch verloop van de Vierde Engelse oorlog (1780-1784) en had scherpe kritiek op het beleid van stadhouder prins Willem V (1748-1806). Hij provoceerde de Oranjegezinden door op 17 maart 1786 samen met de Dordtse burgemeester Ocker Gevaerts met de Dordtse koets door de Stadhouderspoort aan het Binnenhof te rijden. Dat laatste was een ongeschreven privilege van de stadhouder. Na de aanhouding van Wilhelmina van Pruisen bij Goejanverwellesluis vielen de Pruisen ons land binnen (1787). De Gijselaar week kort daarop uit naar Brussel. Niet lang daarna was zijn rol in de vaderlandse politiek uitgespeeld.

Cornelis de Gijselaar groeide op in Gorinchem en bezocht in Breda de Latijnse school. Hij vervolgde zijn opleiding in 1769 in Leiden, waar hij rechten studeerde en op 18 oktober 1774 promoveerde op de dissertatie De indole quorundam tacitorum pignorum celebriorum (Over bepaalde impliciete befaamde pandrechten). Hij keerde terug naar Gorinchem, waar hem een loopbaan als die van zijn vader wachtte. In 1776 werd hij er benoemd tot tweede pensionaris en met zijn pleidooien voor een onbeperkt konvooi van de handelsvloot deed hij zich kennen als anti-Engels en als criticus van het beleid van de stadhouder. Aan zijn ferme optreden dankte hij in juni 1779 de bevordering tot tweede pensionaris van Dordrecht, de eerste stad van Holland. Al in de eerste weken van zijn werkzaamheid werd hij beschouwd als de eerste pensionaris.

In 1780 bevond De Gijselaar, nog geen dertig jaar oud en de belangrijkste vertegenwoordiger van Dordrecht, zich in de voorhoede van de oppositie tegen de stadhouder. In 1781 viel zijn naam in het opstandig pamflet Aan het volk van Nederland, in de korte naamlijst van waarachtig vaderlandslievende regenten. Ook in de Staten van Holland rees zijn ster. Met de pensionarissen Van Zeebergh van Haarlem en Van Berckel van Amsterdam vormde hij het zogeheten driemanschap dat voortging de stadhouder en diens raadgever, de hertog van Brunswijk, het vuur na aan de schenen te leggen. Van het driemanschap lijkt De Gijselaar de belangrijkste, gezien zijn bijnaam ‘De Eerste’. In 1782 leidde hij de commissie die vanwege de Staten van Holland op zoek ging naar de oorzaken van het dramatisch verloop van de Vierde Engelse Oorlog. Met Joan Derk van der Capellen, de schrijver van Aan het volk van Nederland, leidde hij de beweging van ‘correspondentie’, die overeenstemming tussen de regenten van de steden in de Republiek nastreefde en daarmee solidariteit en – hoe informeel ook – partijvorming.

In 1784, het jaar van zijn huwelijk, kwam De Gijselaar nog meer in het nieuws. In de Staten van Holland had de Ridderschap geprotesteerd tegen De Gijselaars gedrag en woordkeuze in de vergaderingen. In Dordrecht bevestigde de stadsregering haar steun aan de pensionaris, al wilde men de zaak niet op de spits drijven en annuleerde men een door patriotse burgers georganiseerde dankzegging aan het stadsbestuur. De Gijselaar mocht rekenen op heel wat supporters, onder hen de in Dordrecht woonachtige dichter Nicolaas de Rouw die de pensionaris aanmoedigde: ‘Om rustig voort te gaan, in ’t heim’lijk kwaad t’ontdekken, Zo ’t zig verschuilen mogt in ’t algemeen bestuur.’ De door het Driemanschap volgehouden aanval op de hertog van Brunswijk had in 1784 succes, toen de hertog zijn ontslag aanbood en een veilig heenkomen zocht in Aken. Maar daarmee nam men geen genoegen: De Gijselaar organiseerde in 1785 een inbraak in het huis van de hertog in Den Haag om er voor de stadhouder en anderen belastende papieren te zoeken.

Dat De Gijselaar ook in de waarneming van zijn landgenoten uitsteeg boven zijn mederegenten, blijkt wel uit het pamfletje Nieuwe Hollandsche hand-vertooningen, waarin hij familiair ‘Dordsche Kees’ genoemd wordt. Na verloop van tijd en na een reeks grapjes in de pers over hondjes werd de roepnaam van De Gijselaar de bijnaam van alle patriotten: Kees! Zo was Cornelis de Gijselaar de man die de patriotten aan de geuzennaam ‘kezen’ hielp. Nog in 1805 werd hij aangesproken als ‘Gy oudste aller keesen’.

Grote faam verwierf De Gijselaar op vrijdag 17 maart 1786, toen hij met de Dordtse burgemeester mr. Ocker Gevaerts (1735-1807) een ongeschreven voorrecht van de stadhouder schond. Met een koets reden zij, zoals zij eerder aangekondigd hadden, onder de Stadhouderspoort op het Binnenhof door en provoceerden daarmee de aanhangers van de stadhouder tot handgemeen. De aanvallers van de Dordtse koets, onder hen prominent de pruikenmaker Mourant en de winkelier Hess, groeiden dankzij de voorspelbare verontwaardiging uit tot monsters. De Staten van Holland namen de aanslag hoog op en veroordeelden hen tot de doodstraf. De Gijselaar en Gevaerts bepleitten echter genade voor hun aanvallers en verwierven zo de status van ware, edelmoedige, helden.

In de verbeelding van tijdgenoten hoorde De Gijselaar thuis in hetzelfde rijtje als Oldenbarnevelt en Johan de Witt, helden en martelaren van de vrijheid. Aan De Gijselaar en Gevaerts werden heel wat lofdichten gewijd. In die gedichten en in toneelstukken, zoals die van Gerrit Paape (1752-1803) en Adriaan Loosjes (1761-1817), werd de bewuste vrijdag van 1786 voorgesteld als een bijna-heropvoering van de executie van Oldenbarnevelt en de gruwelijke moord op de gebroeders De Witt. De gebeurtenissen die dag en hun nasleep zorgden voor verdere polarisatie.

Tijdens de inval van de Pruisen in 1787 was De Gijselaar korte tijd betrokken bij de landsverdediging, maar toen hem duidelijk werd dat hij er wel eens het slachtoffer van kon worden, verliet hij het front. Op 11 oktober werd hij met een aantal medestanders officieel uit zijn ambt gezet. Hij hield zich nog enige maanden in vermomming op in Hollandse steden, voordat hij met zijn familie de wijk nam naar Brussel. Daar nam hij als oud-pensionaris in 1788 deel aan het overleg van voorname gevluchte regenten met de aartshertog en aartshertogin, die de Oostenrijkse keizer Jozef II vertegenwoordigden. Veel leverde dat niet op en in de ogen van veel patriotten verbleekte de ster van De Gijselaar snel: de Amsterdamse patriot Carel Wouter Visscher liet weten dat De Gijselaar in Brussel ‘een slegte rol’ speelde en vooral goed at en sliep. Vertwijfeld vroeg Visscher zich af of dit nu ‘de groote held’ was ‘naar wiens naam de Patriotten vernoemd zijn & voor Keezen worden gescholden?’ Ook door zijn oude strijdmakker Ocker Gevaerts liet hij zich niet verleiden tot een daadkrachtiger rol in het verzet. Naar verluidt reageerde hij met afschuw op de gebeurtenissen in en na 1789 in Parijs.

In 1799, kort na de dood van zijn vrouw en jaren na het begin van de Bataafse Revolutie, verhuisde hij van Brussel naar Leiden, naar Rapenburg 65 – het huis waar later zijn kleinzoon Jan Kneppelhout (als Klikspaan) zijn Studententypen zou schrijven. De Gijselaar gold in Leiden als rentenier en hij koesterde zijn ambteloosheid. Pas in 1814 was er een kortstondige rol voor hem als ‘notabele’ weggelegd in het openbare leven, maar zijn verzet tegen de ‘ondemocratische’ stemprocedure bij de aanvaarding van de grondwet veroordeelde hem weldra weer tot de marge. Kort daarna stierf hij als ambteloos burger.

Bronnen en literatuur
Nationaal Archief: Collectie Cornelis de Gijselaar 3.20.21, nr. 18, 20.
Regionaal Archief Dordrecht: 150 Handschriftenverzameling nr. 381 (Bescheiden Cornelis de Gijselaar), nr. 1237 (Verhaal betrekkelyk den aanslag); 3 Stadsarchieven, de tijd van de Bataafse Republiek 1795-1813, nr. 864, 1162, 1163.
Van der Aa VII, p. 590-596.
NNBW X, p. 309-310.
Peter van Zonneveld, Kneppelhout en Rapenburg 65, in: Peter van Zonneveld (red.), Gedenkzuil voor Johannes Kneppelhout (Leiden 1985), p. 43-45.
Arianne Baggerman, Een lot uit de loterij. Familiebelangen en uitgeverspolitiek in de Dordtse firma A. Blussé en Zoon 1745-1823 (Den Haag 2000), p. 121-130, 225-227.
P.J.H.M. Theeuwen, Pieter ’t Hoen en De Post van den Neder-Rhijn (1781-1787) (Hilversum 2002), p. 512-514.
Joost Rosendaal, Bataven! Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk 1787-1795 (Nijmegen 2003), vluchtelingenlijst.
Jacques Baartmans, Robert Jasper baron van der Capellen tot den Marsch (1743-1814). Regent, democraat en huisvader (Hilversum 2010), p. 72-76, 155.
Peter Altena, Gerrit Paape (1752-1803). Levens en werken (Nijmegen 2012), p. 218-221.
Bert Koene, Schijngestalten. De levens van diplomaat en rokkenjager Gerard Brantsen (1735-1809) (Hilversum 2013), p. 113-115, 152-153.

Peter Altena (juli 2014)

Sluit het Verborgen Museum