Cornelis (Kees) Buddingh'

07-08-1918 (Dordrecht)  -  24-11-1985 (Dordrecht)

C. Buddingh’ met zijn kat Kootje omstreeks 1980. Fotograaf onbekend.

Geboren Dordrecht 7 augustus 1918, overleden Dordrecht 24 november 1985). Zoon van bouwkundig tekenaar Willem Alexander Buddingh’ (1890-1952) en Elizabeth Francisca Spoel (1879-1959). Gehuwd te Dordrecht op 25 januari 1950 met Christina (Stientje) van Vuren (1923). Kinderen: Willem Alexander (Sacha) Buddingh’ (1954) en Wiebe Fechter (Wiebe) Buddingh’ (1957).

C. Buddingh’ mag gerekend worden tot de meest populaire dichters van zijn generatie. Hij introduceerde het alledaagse taalgebruik in de poëzie en bracht deze onder een groot publiek. Buddingh’ voelde de literaire tijdgeest uitstekend aan of liep daarop vooruit. Zijn stem riep bij voorbaat een glimlach op, terwijl in zijn poëzie ernst en melancholie steeds vaker de boventoon voerden. Zijn oeuvre geldt als een belangrijke barometer van de naoorlogse literatuur in Nederland.

Kees Buddingh’ werd als eerste kind geboren in een typische ‘lower middle class’ straat, zoals hij de Dordtse Riouwstraat later beschreef. Het gezin Buddingh’ bestond verder uit zijn jongere broer en zus, Wim en Nienke. Er heerste een sfeer van harmonie en respect. Zijn vader werkte op het Dordtse architectenbureau Van Bilderbeek en Reus. De jonge Kees bezocht de lagere school, eerst in het Kasperspad, later in het Stek. In 1930 ging hij naar de HBS aan het Oranjepark, waar hij in 1935 het examen HBS-A deed. Drie jaar later haalde hij zijn acte MO-A Engels in Den Haag. Al vanaf 1933 voetbalde hij bij D.F.C., waar hij uitgroeide tot een bijzonder getalenteerd speler.

In 1938 werd hij opgeroepen voor militaire dienst. Na de opleiding voor reserveofficieren in Breda, diende hij bij de regimenten wielrijders in Den Bosch en Apeldoorn. De periode van mobilisatie bracht hij door in Gouda. Na de capitulatie keerde hij terug naar Dordrecht waar hij in de openbare leeszaal ging werken. In de eerste oorlogsjaren ontwikkelde zich zijn schrijverschap, daarin gestimuleerd door een kring van literaire vrienden die zich ontpopte als de ‘Dordtse School’. Nadat bij hem tbc was geconstateerd, werd hij van 1942 tot 1943 – en later nog van 1947 tot 1949 – verpleegd in Sanatorium Zonnegloren in Soest. Pas in 1950 was hij voldoende hersteld. Kees trouwde in dat jaar met Christina van Vuren. Vanaf dat moment werkte hij als ‘literator’, vertaalde veel en beoefende vrijwel alle denkbare literaire genres. Buddingh’ vond aansluiting bij verschillende literaire bewegingen. Zijn literaire vrienden bevonden zich voornamelijk in Amsterdam, maar Kees zou zijn leven lang trouw blijven aan Dordrecht. Hij wijdde er zelfs een ode aan.

Vanaf begin jaren ’70 had Kees Buddingh’ naast zijn schrijverschap een deeltijdbaan aan het Instituut voor Vertaalkunde van de Universiteit van Amsterdam. Ook bekleedde hij gedurende tien jaar het bestuursvoorzitterschap van uitgeverij De Bezige Bij. Op zijn zestigste verjaardag werd hij benoemd tot ereburger van Dordrecht. Op zondag 24 november 1985 overleed Kees Buddingh’ op 68-jarige leeftijd in het Gemeenteziekenhuis in de Bankastraat.

De auteur C. Buddingh’ debuteerde, na enkele publicaties in Den gulden winckel en Criterium, in 1941 met de bundel Het geïrriteerde lied. Daarna volgden onder andere De laarzen der Mohicanen (1943), Twintig sonnetten (1945) en Water en vuur (1951). Al in het sanatorium was hij begonnen met het schrijven van gorgelrijmen, waarvan De blauwbilgorgel het oerrijm is. Ze werden later opgenomen in Gorgelrijmen (1953). Een heel nieuwe vorm van poëzie schreef hij met de bundels Lateraal (1957), West Coast (1959) en Zo is het dan ook nog weer eens een keer (1963). Een belangrijke bundel werd Deze kant boven (1965), waarin hij voor het eerst een helder beeld gaf van zijn dagelijks leven. In die periode vond hij zowel onderdak bij de Vijftigers (in tijdschriften als Het woord en Podium) als bij de Zestigers (Barbarber, Gard Sivik en De Nieuwe Stijl). Daarbij liet hij nadrukkelijk een eigen geluid horen. Een doorbraak was zijn optreden tijdens ‘Poëzie in Carré’ (1966). Hij verwierf daardoor grote populariteit op poëzieavonden. In de daaropvolgende jaren werd hij gevraagd voor tv-programma’s als Hadimassa, Muze in spijkerbroek en Poets. In 1967 begon hij met het schrijven van wat uiteindelijk vijf delen dagboeknotities zouden worden. Ook in de poëzie bleef hij zoeken naar nieuwe vormen. In 1976 ontving hij de Jan Campertprijs voor een indrukwekkende bundel met oden en elegieën: Het houdt op met zachtjes regenen. Daarna volgden nog meer autobiografische verzen in De eerste zestig (1978), De tweede zestig (1979) en Verzen van een Dordtse Chinees (1980).

Buddingh’ wisselde het schrijven van poëzie af met prozawerken als Misbruik wordt gestraft (1967), De avonturen van Bazip Zeehok (1969) en Daar ga je Deibel! (1975), toneelstukken (onder andere samen met Bert Schierbeek), een serie strips in dagbladen (samen met tekenaar Otto Dicke), kritieken, columns, aforismen en verschillende essaybundels, waaronder Lexicon der poëzie (1968). Ook stelde hij De encyclopedie van de wereldliteratuur (1954) en een groot aantal bloemlezingen samen. Begin jaren ’70 ontpopte Buddingh’ zich nog een periode als beeldend kunstenaar. Hij maakte een groot aantal kastjes en collages met surrealistische voorstellingen. Er volgden exposities in Brussel, Dordrecht, Franeker en Amsterdam.

In de laatste jaren van zijn leven stagneerde zijn literaire productie, al bleef hij – zij het in bescheiden vorm – experimenteren met surrealistische gedichten en miniaturen (prozagedichten), die onder andere werden gebundeld in Een rookwolkje voor God (1982). In 1983 ontving hij de Cestoda-prijs voor het moeiteloos beheersen van de Nederlandse taal in al haar genres. In zijn laatste levensjaar keerde Buddingh’ terug naar de gorgelrijmen. Hij putte er nieuwe kracht uit en schreef een nieuwe reeks die kort voor zijn overlijden resulteerde in de bundel Nieuwe gorgelrijmen (1985).

Zie voor zijn werken het bibliografisch overzicht in:
Wim Huijser, C. Buddingh’- een mens in de tijd (Zutphen 2001). Buddingh’s verzamelde poëzie verscheen in Buddingh’ gebundeld (Amsterdam 2010).

Bronnen en literatuur
Collectie van het Letterkundig Museum, Den Haag
Collectie Regionaal Archief Dordrecht
Fernand Auwera, C. Buddingh’ (Nijmegen/Brugge 1980).
Ares Koopman, Misschien schrijf ik straks nog wel een klein versje (Amsterdam 1983).
Ares Koopman, Levensbericht, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1985-1986 (Leiden 1987).
Wim Huijser, Nawoord, in: C. Buddingh’, Alle gorgelrijmen (Amsterdam 2003).
Wim Huijser, Dordt, wat zal ik ervan zeggen’; literair wandelen door het Dordrecht van Kees Buddingh’ (Soesterberg 2008).
Wim Huijser, De droom van een dichter,  in: De parelduiker, jaargang 16 nummer 1 (Amsterdam 2011).

Wim Huijser (maart 2012)

Sluit het Verborgen Museum