Charles Marius van Deventer

01-07-1860 (Dordrecht)  -  27-08-1931 (Amsterdam)

Portret van Charles Marius van Deventer

Charles Marius van Deventer (‘Chap’ voor vrienden) werd geboren in Dordrecht op 1 juli 1860 en overleed te Amsterdam op 27 augustus 1931. Hij werd begraven op de (Oude) Oosterbegraafplaats aan de Kruislaan aldaar. Hij was de jongste van vier kinderen geboren uit het huwelijk van dr. Christaan Julius van Deventer (Amersfoort 10 september 1824-Dordrecht 14 mei 1892), conrector van het stedelijk gymnasium en later directeur van de HBS, beide in Dordrecht, en Anne Maria Busken Huët (Den Haag 23 juni 1833-Dordrecht 27 december 1910), vertaalster, een zuster van schrijver en criticus Conrad Busken Huët (1826-1886). Charles trad op 26 april 1912 in Den Haag in het huwelijk met Catherine Henriette Perk (Dordrecht 16 juni 1863-Alkmaar 2 september 1942), dochter van ds. Marie Adrien Perk (1834-1916), predikant van de Waalse kerk onder meer in Dordrecht en jonkvrouw Justine Georgette Clifford Kocq van Breugel (1835-1900). Catherine was geruime tijd werkzaam als directrice van een ziekeninrichting in Nederlands-Indië. Uit dit huwelijk geen nakomelingen. Catherine was de zuster van de dichter Jacques Perk (1859-1881). Zij was eerder gehuwd met makelaar in petroleum Meinhard Voȗte (1851-1933) en liet zich van hem scheiden op 28 juni 1911. Uit dit huwelijk was een zoon geboren: Edward-John Voȗte (1877-1950), Duitsgezind en door de Duitsers aangesteld als regeringscommissaris (burgemeester) van Amsterdam van 1941 tot 1945.

Charles Marius van Deventer was gepromoveerd chemicus, docent, letterkundige, dichter, toneelschrijver, vertaler en classicus. Hij werkte mee aan meerdere tijdschriften waaronder De nieuwe gids. Van Deventer speelde viool en piano en hij componeerde. Hij voelde zich verwant aan de beweging van Tachtig en onderhield met veel Tachtigers persoonlijke en epistolaire contacten. Criticus Frans Erens (1857-1935) karakteriseerde Van Deventer als ‘de meest universele geest die hij ooit had ontmoet’. Evenals met de uit Dordrecht afkomstige dichter en schilder Jan Veth (1864-1925) onderhield Van Deventer met Erens een levenslange vriendschap.

Het geboortehuis van Charles van Deventer stond aan de Prinsenstraat in Dordrecht. Charles groeide op in een intellectueel milieu. Zijn vader was aanvankelijk docent en conrector aan het stedelijk gymnasium in Dordrecht. Zijn moeder was een bekwaam vertaalster. Er werden regelmatig muziekavonden aan huis georganiseerd, die werden bijgewoond door vooraanstaande Dordtenaren. Hij bezocht de openbare school voor gewoon en meer uitgebreid lager onderwijs voor jongens aan de Voorstraat, die onder leiding stond van de jonge uit Zeeland afkomstige hoofdonderwijzer Matthijs Hendrik Rottier. Charles was een uitstekende leerling die van zijn medeleerlingen de bijnaam ‘de wijze’ kreeg. Al op de lagere school ontwikkelde hij belangstelling voor de Griekse mythologie door de verhalen die Van Deventer senior zijn zoon vertelde. Charles raakte op de lagere school bevriend met de later bekend geworden dichter Jacques Perk (1859-1881), die een jaar ouder was. Ten huize van de familie Perk ontmoette hij Catharine Henriette Perk, een zuster van Jacques, die veel later zijn echtgenote zou worden. Op vrije middagen verbleef Jacques bij voorkeur bij de familie Van Deventer, toen aan het Steegoversloot, omdat daar meer was toegestaan dan thuis. Er ontstond een hechte vriendschap tussen de jongens die standhield tot het overlijden van Perk eind 1881.

Na de lagere school ging Charles niet naar het gymnasium maar naar de op 9 september 1865 in Dordrecht gevestigde HBS. Toch ontwikkelde hij zich door de hulp en instructie van zijn vader en door zelfstudie tot een classicus van formaat en vertaalde hij uit het Latijn en het Grieks. Hij publiceerde ook over Plato, soms in de vorm van diens dialogen. De kennismaking met het werk van Plato was voor Charles van grote betekenis. Diens werk trok hem om wijsgerige en esthetische redenen buitengewoon aan. Hij meende niet te kunnen leven zonder diens werken voortdurend onder handbereik te hebben. Op reis droeg hij overal een Griekse Plato-editie met zich mee en liet zelfs een speciaal kistje vervaardigen om de boeken veilig in te kunnen vervoeren.

In 1856 had vader Van Deventer het tijdschrift de Wetenschappelijke bladen opgericht. Nog in zijn middelbareschooltijd was Charles in feite mederedacteur, schreef boekrecensies en vertaalde wetenschappelijke artikelen. In de eerste jaren van zijn bestaan was het tijdschrift de vaste publicatieplaats van zijn oom, Conrad Busken Huët. Charles zag tegen zijn oom op en was hem zeer toegenegen. Huët beïnvloedde zijn neef vooral in literair opzicht.

In de laatste jaren van de HBS nam zijn belangstelling voor de scheikunde toe. In januari 1880 schreef hij zich in als student scheikunde aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam. Hij betrok een kamer aan de Hemonystraat nummer 25, later nummer 39 en woonde daarna op verschillende adressen in Amsterdam. Hij leerde in 1880 Willem Kloos kennen op de Amsterdamse studentenkamer van Jacques Perk aan de Kerkstraat 263. Hij voltooide zijn studie om tenslotte op 13 december 1884 te promoveren bij prof. J.W. Gunning (1827-1900) op het proefschrift Schetsen uit de geschiedenis van de scheikunde (Dordrecht 1884). Op het promotie diner in restaurant De Geelvinck aan het Singel in Amsterdam gaven meerdere bekende Tachtigers acte de présence.

Marxist en journalist Frank van der Goes (1859-1939) nam in 1881 het initiatief tot oprichting van het Amsterdamse literaire genootschap Flanor. Het genootschap stelde zich ten doel jonge, ontevreden schrijvers bijeen te brengen om te strijden tegen de benepen burgerlijke moraal van de dominee-dichters uit de negentiende eeuw zoals J.J.L. ten Kate (1819-1889) en Nicolaas Beets (1814-1903). Charles was lid van het eerste uur, hij trad toe op 14 juni 1881. Tot de eerste leden behoorden onder anderen: Frederik van Eeden (1860-1932), Willem Kloos (1859-1938) en Willem Paap (1856-1923). Flanor was de kraamkamer van de beweging van Tachtig waartoe naast Van Deventer ook Albert Verweij (1865-1937), Herman Gorter (1864-1927) en Lodewijk van Deyssel (1864-1952) behoorden. De initiatiefnemers richtten in 1885 het tijdschrift De Nieuwe Gids op.  In het eerste nummer dat verscheen in oktober 1885 publiceerde Van Deventer een artikel over De wet van Berthollet en de moderne scheikunde. Vele bijdragen over verschillende onderwerpen zouden volgen. Van Deventer publiceerde daarnaast in het Tweemaandelijksch tijdschrift, De tijdspiegel, De Nederlandsche spectator en De gids.

Op 2 augustus1886 aanvaardde Van Deventer in Goes een betrekking als leraar scheikunde aan de HBS. Dat was van korte duur; Charles kon absoluut geen orde houden. Zijn leerlingen maakten hem belachelijk om zijn uiterlijk. Hij bleek beter op zijn plaats als assistent van de Amsterdamse hoogleraar scheikunde J.H. van ’t Hoff, waar hij vervolgens van 1887 tot 1895 werkte. Hij keerde regelmatig terug naar Dordrecht om ouders, familie en vrienden te bezoeken. Ondanks het debacle in Goes werd hij van 1897 tot 1909 opnieuw leraar scheikunde, nu aan het gymnasium Willem III in Batavia, Nederlands-Indië. Hij bracht de Nederlandse gemeenschap daar kennis over De nieuwe gids– beweging en hij schreef letterkundige kronieken en boekrecensies in de Java-bode en later ook in de Locomotief.

Van Deventer onderhield een uitvoerige briefwisseling. Hij kon in brieven tegenover vrienden enorm uit zijn slof schieten zonder dat dit de vriendschap blijvend schade toebracht. Zo schreef hij op 8 april 1888 aan Albert Verweij: ‘…dat was een weergalozen en gewetenlozen ploertenstreek’ en eindigde met: ‘patser dat je bent’.

Na terugkeer in het vaderland werd hem een hoogleraarschap aan de Technische Hoogeschool in Delft aangeboden. Hij wees dit aanbod van de hand en werkte als privaatdocent in de historie van de chemie aan de Universiteit van Utrecht. Ook werkte hij daar enkele jaren samen met hoogleraar in de chemie Ernst Julius Cohen (1869- 1944) in diens Utrechts laboratorium.

In 1916 publiceerde van Deventer in De gids een verzameling brieven die Jacques Perk hem had geschreven onder de titel Uit het leven van Jacques Perk. De uitgever, kennelijk met instemming van Van Deventer, zag daarbij aanleiding in de teksten in te grijpen. Van Deventer had eerder de lezers van De nieuwe gids verrast met de publicatie van Krabbeltjes, kindergedichtjes, met als auteursnaam ‘Oom Chap’. Een jaar voor zijn overlijden werden deze gebundeld en uitgegeven (1930). Ze werden door Harry Prick gekarakteriseerd als ‘even verrukkelijke als snaakse kindergedichten’.

Na een kort maar pijnlijk ziekbed overleed Charles van Deventer op 71-jarige leeftijd in het Prinsengrachtziekenhuis in Amsterdam.

Enkele publicaties
Platonische studiën (Amsterdam, 1896).
Helleensche studiën (Amsterdam 1897).
Hollandsche bellettrie van den dag (Zwolle 1904).
Uit het leven van Jacques Perk (De gids 80 (1916) III, p. 199-229 en 429-451).
De gevloekte beker (toneelspel in vijf bedrijven, (De gids 89 (1925) I, p. 10-95).
Krabbeltjes van oom Chap (zonder plaats 1930).

Literatuur
Harry G.M. Prick, Deventer, Charles Marius van (1860-1931), in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 3 (Den Haag 1989).
Harry G.M. Prick, Lodewijk van Deyssel en Dr. Charles M. van Deventer, in: Handelingen van de Koninklijke Zuidnederlandse maatschappij voor taal- en letterkunde en geschiedenis 23 (1969) p. 275- 356.
Harry G.M. Prick, Charles M. van Deventer: een universele geest in een fijne snaak, in: Tachtig, speciaal nummer van De Fonteijne 4e jaargang, nummers 2-3 (1985) p. 44-50.
Frans Erens, Vervlogen jaren (Amsterdam 1989).
Frans Oerlemans en Peter Janzen, De liefdes van Chap van Deventer, in: De parelduiker, jaargang 4, (1999/2), p. 2-19.
Peter Janzen en Frans Oerlemans, Willem Kloos (1859-1938). O God, waarom schijnt de zon nog (Nijmegen 2017).

Roel Leentvaar (mei 2017)

 

Sluit het Verborgen Museum