Bernardus Cornelis (Cor) Noltee

25-05-1903 (Den Haag)  -  02-01-1967 (Dordrecht)

Cor Noltee:  Zelfportret met rode baret (1951)

Bernardus Cornelis Noltee (roepnaam Cor) werd op 25 mei 1903 in Den Haag geboren en overleed te Dordrecht op 2 januari 1967. Hij was het tweede kind en de eerste zoon geboren uit het op 28 juni 1899 in Den Haag gesloten huwelijk van Arij Noltee, timmerman, (Maassluis 1 juli 1872-Dordrecht 20 april 1945) en van Adriana Henriette van der Wal (Den Haag 18 mei 1875-Den Haag 2 maart 1941).

Cor Noltee trad op 24 maart 1926 in Ginniken en Bavel (NB) in het huwelijk met Petronella Johanna Wilhelmina van der Woude (Breda 14 september 1907-Dordrecht 18 maart 1999). Uit dit huwelijk werd een vijftal kinderen geboren: Arie Henri (Rijswijk 23 augustus 1926-1997), Klaas Bernardus (Den Haag 22 juni 1929-Dordrecht 12 juni 2013), Petronella (Den Haag 16 januari 1932), Frans Karel August (Dordrecht 6 september 1941) en Louwerina Wilhelmina (Dordrecht 4 september 1943).

Cor Noltee was aquarellist, tekenaar en schilder. Hij behoorde tot de laatste generatie Dordtse impressionisten. Hij schilderde in een zelfbewuste, robuuste stijl en kende een breed scala aan onderwerpen: landschappen, rivier- en stadsgezichten, (zelf)portretten en stillevens. De invloed van de Haagse school is in zijn werk aanwijsbaar. Hij werd wel de ‘Dordtse Breitner’ genoemd vanwege de verwantschap in stijl en onderwerpkeuze (George Hendrik Breitner 1857-1923). Aan het einde van zijn leven ontwikkelde hij zich in meer expressionistische richting. Zijn laatste schilderijen getuigen daarvan. Men zag Noltee als een rusteloze en onconventionele bohémien; een rol die hij gaarne op zich nam.

Cor Noltee werd geboren als tweede kind in een Haags arbeidersgezin. Zijn vader was timmerman en was de SDAP toegedaan. De politieke opvattingen van zijn vader achtte Cor later niet radicaal genoeg, hij voelde meer voor het communisme. Het gezin woonde aan de Vailantlaan. De familie had de zolder van haar woning onderverhuurd aan een kunstschilder, ene Masthof (?). Cor poseerde af en toe voor hem en hij inspireerde Cor tot tekenen. Op de lagere school viel zijn tekentalent op. Vanaf zijn twaalfde jaar (1915) volgde hij een avondcursus tekenen en schilderen, die hij al snel verliet om een dagcursus te volgen. In het cursusjaar 1916-1917 verliet hij de lagere school en doorliep de ‘algemene voorklasse’, van de Haagse Academie van Beeldende Kunsten, een algemeen voorbereidend jaar. Hij volgde vervolgens vanaf 1918 het officiële eerste studiejaar van de afdeling Teken- en Schilderkunst van de Haagse Academie. Hij studeerde er tot 1920, echter zonder de opleiding te voltooien. Zonder een ons bekende reden staakte hij zijn studie direct voor het begin van het derde studiejaar. Op de Academie onderging hij de invloed van zijn leraar Willem de Zwart (1862-1931). Noltee beschouwde echter de Haagse schilder Henk van Leeuwen (1890-1972) als zijn belangrijkste leermeester. Van Leeuwen was lange tijd zijn vriend en zijn persoonlijke en artistieke mentor. Noltee volgde later eveneens lessen aan de Académie Julian in Parijs, een particuliere opleiding schilderen en beeldhouwen onder leiding van autodidact Rudolphe Julian (1839-1907). Julians opleiding wist gerenommeerde docenten aan te trekken en had een uitstekende naam. Zelf had Noltee gedurende zijn loopbaan eveneens leerlingen, waaronder Clement Bezemer (1910-2002), Kees Stoop (1926), Ernst van Dalen (1927-2017), Adrie Mouthaan (1940) en Lucien den Arend (1943).

Tussen 1920 en 1937 reisde Noltee door het land om te tekenen en te schilderen. In 1925 bezocht hij samen met kunstbroeder Jan Knikker sr (1877-1957) Breda, waar hij in een café een paneel van de tapkast beschilderde. Hij maakte indruk op Nel, een van de dochters van de kastelein. Nel werd zwanger, ze trouwden (1926) en vestigden zich in Ulvenhout bij Breda. In Brabant ontmoette hij kunstverzamelaar dr. F.K.A. (Frans) Philips (1868-1943) en diens echtgenote. Noltee en zijn vrouw raakten met het echtpaar bevriend. Voor het Philipspersoneel werd een tentoonstelling georganiseerd waar Noltee aan deelnam. Philips steunde Noltee, onder meer door de aankoop van schilderijen. Al na enkele maanden verhuisde het echtpaar naar Rijswijk (ZH), waar hun eerste kind werd geboren. Na korte tijd vestigde het gezin zich in Den Haag (1927), waar zij regelmatig een andere woning betrok. Het aantal verhuizingen was zo groot dat zijn verhuizer Noltee aanraadde zelf een verhuiswagen aan te schaffen.

Relaties in Brabant verschaften Noltee van juli tot eind 1933 onderdak in een huisje in Mierlo bij Eindhoven. Een belangrijke Brabantse connectie was sigarenfabrikant, kunstliefhebber en oprichter van het Van Abbe Museum in Eindhoven, Henri van Abbe (1880-1940). In diezelfde periode leerde hij de bekende schilder en arts Henri Wiegersma (1891-1969) uit Deurne (NB) kennen. Diens huis De Wieger was een belangrijke ontmoetingsplaats van kunstenaars. Eind 1933 keerde hij terug naar Den Haag.

In april 1935 verbleef Noltee in het Parijse atelier van Henk van Leeuwen aan de Impasse du Rouet 7 in het 14e arrondissement. In de jaren daarna zou hij daar regelmatig te gast zijn en er werken. Ongedurig als hij was, verhuisde hij in 1936 plots naar Brugge, maar werd na vijf maanden uitgewezen, waarschijnlijk vanwege de communistische ideeën die hij in Brugse cafés verspreidde. Na een kort verblijf in Rotterdam verhuisde de familie in 1937 naar Dordrecht, dat zijn vaste woonplaats zou worden. Hij ontmoette er J.A. van Tilburg (1889-1980), zakenman, gemeenteraadslid en later wethouder van Dordrecht voor de Christelijk Historische Unie. Hij bezorgde Noltee een woning aan de Dongestraat 13 op de Staart en een groot atelier aan de Merwede. Van Tilburg gaf mevrouw Noltee wekelijks vijfentwintig gulden huishoudgeld. In ruil daarvoor kreeg Van Tilburg het beheer over het werk van Noltee en het recht dat te verkopen. Bij een verkoop werd dan het verstrekte huishoudgeld verrekend. Onduidelijk is tot wanneer deze mondelinge overeenkomst van kracht is geweest, maar duidelijk is dat bij de financiële afwikkeling problemen ontstonden, waarbij Noltee zich ernstig tekortgedaan voelde. In 1977 kwam Van Tilburg, die na de oorlog uit het college van B&W was gezet wegens collaboratie en ‘Deutschfreundlichkeit’, opnieuw in opspraak. Van Tilburg, die na de oorlog naar Zuid-Afrika was geëmigreerd, schonk een zeer waardevolle collectie schilderijen aan de universiteit van Pretoria. Hij had die collectie grotendeels gedurende de oorlog opgebouwd. Volgens voormalige zakelijke medewerkers en enkele verzetsmensen had hij die niet eerlijk verworven. Van Tilburg heeft dat altijd ontkend. In deze collectie bevonden zich overigens slechts enkele doeken van Noltee.

In Dordrecht werd hij in 1938 lid van Teekengenootschap Pictura waar hij regelmatig deelnam aan exposities. Op 22 november 1941 richtte de Duitse bezetter ter controle van ieder die zich op het cultureel terrein bezig hield de Kultuurkamer op. Aanmelding geschiedde op basis van vrijwilligheid, maar wie zich niet aanmeldde, werd de beroepsuitoefening onmogelijk gemaakt. Noltee meldde zich aan en werd op 21 september 1942 geregistreerd. Hij deed dat ongetwijfeld niet uit ideologische motieven – hij was communist en anti-Duits – maar om niet brodeloos te worden. Noltee exposeerde echter na zijn aanmelding pas weer na de bevrijding (1946). Het huis en het atelier op de Staart gaf hij op en vestigde zich op de Voorstraat in de Dordtse binnenstad (1948). Zijn voortdurende financiële problemen werden deels opgelost doordat hij kon deelnemen aan de in 1949 van kracht geworden Regeling Sociale Bijstand aan Kunstenaars (later de Beeldende Kunstenaars Regeling, de BKR). Kunstenaars kregen een bescheiden uitkering in ruil voor ingeleverd werk. Deze regeling bleef van kracht tot 1964.

Gedurende de jaren vijftig reisde de rusteloze Noltee veel, vaak met vriend en leerling Kees Stoop (1926). Hij bezocht onder meer Rijssen en Markelo (1953), Antwerpen (1956), Thorn en Bavel (1957). De reizen leverden vele doeken op. Van de gemeente Dordrecht kreeg hij opdracht een aantal stadsbeelden vast te leggen van plekken die bij de voorgenomen sanering van de binnenstad zouden verdwijnen.

Eind 1960 verhuisde Noltee voor het laatst en wel naar een huis met atelier aan de Zeedijk 19 en 21 bij de Kop van ’t Land op het Eiland van Dordrecht, vlakbij de Hollandse en Brabantse Biesbosch. Onder invloed van een jongere generatie schilders waaronder COBRA, voelde hij de druk zijn schilderstijl te vernieuwen. Dat viel hem zwaar. Hij maakte op zijn omgeving een neerslachtige indruk. Zijn brieven getuigden daarvan. ‘Ik heb het gevoel dat ik zwaar achterloop. Mijn verstand zegt dat ik anders moet maar mijn gevoel is de baas en bepaalt wat ik maak, ik kan niet anders tot op heden.’ Toch wist hij van koers te veranderen, mede door de inspiratie die de nabije Biesbosch hem bood. Hij werkte nu expressiever. Verf werd niet meer op het palet gemengd, maar op het doek. Vaak verving het paletmes het penseel en zijn doeken werden kleurrijker. In een interview uit 1963 zei hij: ‘Ik geloof dat ik op de goede weg ben’. In augustus 1963 vierde Geertruidenberg haar 750-jarig bestaan met een grote Biesboschtentoonstelling. Noltee exposeerde er een groot aantal nieuwe schilderijen en tekeningen, bijna zestig werkstukken. Een jaar later bood Staatsbosbeheer hem de kans enkele maanden in een huis in de Biesboschpolder, ‘De Dood’ te verblijven en er te werken.

In 1964 werd bij Noltee keelkanker vastgesteld. Hij werd opgenomen in Ziekenhuis Refaja, werd in Rotterdam bestraald, maar de behandeling mocht niet baten. Op 2 januari 1967 overleed hij.

Tentoonstellingen
Noltee nam regelmatig deel aan ledententoonstellingen van Pictura. Verder waren er exposities in onder meer: Rijksmuseum Amsterdam, Dordrechts Museum, Kazerne Geertruidenberg, Museum De Rietgors (Papendrecht) en het Biesboschmuseum (Werkendam). De laatste tentoonstelling vond plaats in Museum De Rietgors in Papendrecht (1999/2000). Noltee exposeerde ook regelmatig bij kunsthandels in onder meer Rotterdam (Koch), Eindhoven (Verheugen), Scheveningen (Cojean) en Dordrecht (De Rode Deur).

Bronnen en literatuur
RKD Bioportnummer 59829.
P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950, deel 2 (Den Haag 1969), p. 111.
P. Kraus (voorwoord), Cor Noltee (1903-1967), schilderijen en tekeningen (Dordrechts Museum 1973).
G.J. Schweitzer en F.M. Bijl de Vroe-Verloop, Ik mag lijden dat het morgen grijs is (Dordrechts Museum 1980).
B. Jintes, Cor Noltee 1903-1967 breed gezien (Venlo, Van Spijk 1999).
P. van Loon, Dordtse impressionisten. Schilders van de losse toets. Verhalen van Dordrecht deel 27 (Dordrecht 2013).

Roel Leentvaar (februari 2019)

 

Sluit het Verborgen Museum