Beatrix Roerom

circa 1421 (Groote Waard)  -  na 1470 (Dordrecht)

 

De wonderbaarlijke redding van een kind tijdens de Sint Elisabethsvkoed in 1421 door J.H. Egenberger, 1837 (Amsterdam Museum)

Beatrix werd volgens de overlevering geboren in 1421 in de Groote Waard, mogelijk in het ambacht Wieldrecht. Ze werd als vondeling op kosten van de stad opgevoed en huwde in Dordrecht rond 1450 met Jakob Roerom, geboren in Dordrecht omstreeks 1420. Uit dit huwelijk werden ten minste twee kinderen geboren: dochter Klara, die te Delft Kornelis Korneliszoon huwde maar kinderloos stierf, en Kornelis (geboren Dordrecht 1468) die eerst Volkje van Barendrecht huwde en vervolgens Marta van den Hatert. Bij de laatste verwekte hij negen kinderen. In recente publicaties wordt Beatrix ook wel Beatrijs de Rijke genoemd.

Beatrix (de gelukbrengster of gezegende reizigster) zou de Sint Elisabethsvloed van 1421 hebben overleefd doordat de waterdichte Brabantse wieg waarin ze tijdens de overstroming lag op de golven werd meegevoerd en een meeliftende kat uit lijfsbehoud het merkwaardige vaartuig voor omslaan behoedde. De wieg dreef, voortgestuwd door het water, naar het noorden en kwam in de buurt van Dordrecht aan wal. De vondeling werd daar liefdevol opgevangen en voor rekening van de stad grootgebracht. Ze trouwde er met Jakob Roerom en werd de stammoeder van vele aanzienlijke geslachten. Maar bovenal werd ze hét icoon van de Sint Elisabethsvloed. Op talloze afbeeldingen van de stormvloedramp komt ze voor. En hoewel verhalen over wonderbaarlijke reddingen van kinderen bij meerdere overstromingen opduiken, heeft Dordrecht toch de beste papieren voor deze historische sage.

Beatrix moet zijn geboren in 1421 in het zuiden van de Groote Waard, een hoogheemraadschap dat was ontstaan rond 1283 door afdamming van de Maas bij Maasdam en Heusden en samenvoeging van de Dordtse Waard en de ten zuiden van de toenmalige Maas gelegen Zuid-Hollandse Waard. De Groote Waard strekte zich uit van Maasdam in het westen tot Heusden in het oosten en van Dordrecht in het noorden tot Geertruidenberg in het zuiden en besloeg zo’n 40.000 hectaren.

In ambachten als Houweningen, Tolloyzen, Almsvoet, Eemkerk, Oudeland, Nesse, Weede, Broek, Twintighoeven, Dubbelmonde en Wieldrecht probeerden de bewoners als boer of ambachtsman het hoofd boven water te houden. Maar dat werd steeds moeilijker, want de bodem van de waard daalde als gevolg van ontwatering en inklinking terwijl het waterpeil in de rivieren steeg en uitbaggeren nog onmogelijk was. Inpolderingen in de Alblasserwaard zorgden ervoor dat het rivierwater zich door een steeds smaller bed een weg naar zee moest banen. Het dijkonderhoud liet te wensen over in de roerige tijd, waarbij het Kabeljauws gezinde Dordrecht tegenover het Hoekse waterschapsbestuur stond. En bovendien werden de dijken ondermijnd door turfwinning en buitendijkse afgraving van veen voor de zoutproductie. Dit moerneren gebeurde ook in het Land van Strijen, westelijk van de Groote Waard, waardoor de zee zich een weg kon banen naar het sluizencomplex bij Broek. Dijkdoorbraken, onder andere in 1374, 1375 en 1394, waren het gevolg. Ook de dijk in het noorden langs de Merwede bezweek meerdere malen. De schade bleef meestal beperkt. De dorpen lagen op dijken of natuurlijke verhogingen in het landschap en de bevolking kon zich tijdig in veiligheid brengen. Maar de overstromingen met zout water leidden wel tot verarming van de streek. En reparaties konden slechts worden uitgevoerd met geld dat werd verkregen door nieuwe moerconcessies uit te geven.

De stormvloeden van 1404, 1421 en 1424, toevallig allemaal op of rond 19 november, de sterfdag van de heilige Elisabeth van Hongarije (1207-1231) en daarom alle drie Sint Elisabethsvloed genoemd, betekenden de doodsteek voor de waard. De vloed van 1421 is de bekendste geworden. Tijdens een zware westerstorm brak in de nacht van 18 op 19 november de zeedijk bij Wieldrecht, zoals blijkt uit het telkens weer opduikende tijdvers VVIeLdreCht MaCh VVater beCLagen, waarin de Romeinse cijfers het jaartal 1421 vormen. De laag gelegen delen van de Groote Waard stroomden vol en toen het water de rivierdijk bij Werkendam had bereikt en deze vanaf de binnenkant ondermijnde bij een toch al hoge rivierstand, brak ook hier de dijk en kwam de polder onder invloed van eb en vloed.

Herstelwerkzaamheden werden te niet gedaan door een nieuwe overstroming in 1424 waarna een deel van de polder op den duur werd verlaten en veranderde in een Biesboschlandschap. Gedenkstenen in de Spuipoort en in de toren van de Grote Kerk en het omstreeks 1500 geschreven Magnum Chronicon Belgicum noemen het aantal van 72 verdronken dorpen. Recent onderzoek heeft inderdaad aangetoond dat er ongeveer 72 steden, ambachten en parochies in de Groote Waard lagen en dat er daarvan zo’n elf ambachten (waarvan er een paar zeer dun bevolkt waren) en twintig kerkdorpen evenals twee kloosters en twee kastelen blijvend verloren gingen.

Over de slachtoffers is weinig met zekerheid te zeggen. Het aantal van 100.000 dat lang werd genoemd is zeker veel te hoog, net als de 10.000 slachtoffers die J.C. Ramaer nog in 1899 opvoert. Dordrecht, dat grotendeels droog bleef doordat het door het graven van de stadsgracht buiten de bedijking van de waard was komen te liggen en de stadsmuren als waterkering fungeerden, telde toen ongeveer 10.000 inwoners. In de rest van de waard woonden hooguit 20.000 mensen. Ongetwijfeld zal de vloed in de buurt van de dijkdoorbraak bij Wieldrecht veel slachtoffers hebben geëist, maar de bewoners van de verder landinwaarts gelegen dorpen hadden de tijd om zich op de dijken in veiligheid te brengen. Het hoger gelegen oostelijke deel van de waard had zelfs nauwelijks wateroverlast. Zelfs de 2.000 slachtoffers die de Tielse Kroniek 50 jaar na de ramp noemt, lijken aan de hoge kant, al komt dat aantal dicht in de buurt van de 1.837 mensen die verdronken bij de watersnoodramp van februari 1953.

Een van de bewoners die het er levend van afbracht is volgens de overlevering het meisje in de wieg. De eerste die haar noemt, is de Italiaanse humanist Chrysostomus Neapolitanus, die in 1514 schrijft over een boottocht over het verdronken land. Hij zag daarbij torenspitsen van kerken uit het water oprijzen en oude lieden vertelden hem dat bij de stormvloed 93 jaar eerder 72 dorpen verdronken en slechts een kind in een wieg met een kat aan de verdrinkingsdood ontkwam.

Daar waar eerdere geschiedschrijvers nog aan deze gebeurtenis voorbijgaan is het Matthijs Balen die het verhaal in 1677 in zijn Beschryvinge der stad Dordrecht opneemt. ‘In ’t onder-gaan van dien Grooten Waard, kwam aandrijven een kind in een wiege, hebbende tot gezelschap een kat, en raakte eyndeling te Dordrecht, werdende ’t voorz kind Beatrix (dat is, Beate, Baetken, Bate, en by verder toegeving, Gelukkige) genoemd; en zijnde gekomen ter jare, trouwde Jakob Roerom. Van welken stamme, ’t zy uyt de manlijke of vrouwlijke linie, vele aanzienlijke geslachten, en andere binnen Dordrecht, en elders, haar afkomste rekenen’. Balen, die we als een betrouwbare genealoog kennen, geeft vervolgens haar stamboom, die tot aan zoon Kornelis Roerom geverifieerd kon worden. Dat gaf stadsgeschiedschrijver C.J.P. Lips zoveel vertrouwen, dat hij tot historiciteit van het verhaal besloot. Overigens meldt Balen nog vijf vluchtelingen, Pieter Dirksz met zijn vrouw, hun zoon Dirk en diens dochters Beeltje en Matte, die op de hanenbalken van hun huis kwamen aandrijven.

Dordrecht speelde een belangrijke rol bij de hulpverlening. In een fragment van een stadsrekening uit die tijd komt een post voor over het uitdelen van brood, bier, kaas en andere proviand aan de arme lieden in het baljuwschap Zuid-Holland. En de aktenboeken vermelden dat de vluchtelingen uit Wieldrecht twee klokken en de doopvont die zij uit hun kerk hadden gered aan de Grote Kerk schonken in ruil waarvoor ze een altaar kregen. Rond 1470 gaven zij een onbekend gebleven schilder de opdracht tot het vervaardigen van een drieluik met aan de ene zijde afbeeldingen uit het leven van de heilige Elisabeth en aan de ander kant een voorstelling van de vloed. Op deze unieke panelen (het was de eerste keer dat een eigentijdse gebeurtenis het onderwerp was van een schilderij) komt, ter hoogte van de kerk van Houweningen, ook het kindje in de wieg voor. Zou Beatrix zelf, die dan rond de zeventig moet zijn geweest, een van de opdrachtgeefsters zijn geweest?

Latere schrijvers vonden de wonderbaarlijke redding blijkbaar nog niet mooi genoeg en dikten het verhaal verder aan. Zo wil Van Someren ons in zijn De St. Elisabethsnacht ao 1421 doen geloven dat Beatrix de dochter van de twaalfde-eeuwse graaf Floris III en zijn gemalin Ada van Schotland zou zijn en schrijven Kobus en De Rivecourt in hun Beknopt biographisch handwoordenboek dat de vondeling ‘eene keten van bloedkoralen met eene gouden stift om den hals en een gouden kruis met het wapen der ouders’ droeg. Waarom haar familienaam dan niet kon worden achterhaald vermelden ze echter niet.

Deze verhalen hebben niet bijgedragen aan de geloofwaardigheid. En dat geldt ook voor het feit dat ook andere plaatsen zoals Utrecht (Allerheiligenvloed 1170), Zeeland (Sint Felixvloed 1530), Sneek (Allerheiligenvloed 1570) en Groningen (Sint Maartensvloed 1686) deze gebeurtenis claimen. Om nog maar te zwijgen van Mozes in zijn mandje van papyrus. En dan is er ook nog de familie Nederveen, die nog in 1635 voor een Haarlemse notaris het verhaal liet optekenen van de redding van Jonkheer Pieter van Nederveen, die in een wieg uit de Dordtse Waard was komen aandrijven met om zijn hals een bloedkoralen ketting met wapen en door een visser naar de Heer van Zevenbergen was gebracht, die hem liet opvoeden als edelman.

Ten slotte is er Kinderdijk, tegenwoordig onderdeel van Molenwaard, dat claimt dat het voorval zich daar heeft afgespeeld. Gevelstenen, bovenlichten en muurschilderingen houden het verhaal daar in leven en menig bezoeker van het molencomplex krijgt het te horen. Veel waarschijnlijker is echter dat dit dorp, dat tot 1927 meestal Elshout werd genoemd, vernoemd is naar de kinderen (erfgenamen) van de leenheren van de heerlijkheid Giessen. Toen daar, na de stormvloedramp van 1375, een nieuwe dijk moest worden aangelegd, werd die bekend als de dijk van de kinderen van Giessen en deze naam werd via Kinderen-dijk uiteindelijk Kinderdijk. Overigens was het gezien de heersende windrichting en het feit dat de dijk in 1421 aanvankelijk slechts op een plaats, bij Wieldrecht (veel zuidelijker gelegen dan de huidige buurtschap van die naam) was weggeslagen, technisch onmogelijk dat het wiegje naar Kinderdijk zou drijven.

Als het verhaal van het kindje in de wieg al op waarheid berust, is de meest aannemelijke plaats van aanspoeling, gezien het bijna eigentijdse schilderij, gemaakt in opdracht van mensen die die het konden weten, toch wel de rivierdijk bij Houweningen. Al schijnt Balen hierover te hebben getwijfeld. Zo wordt op de tekening die Arnold Houbraken maakte van de ramp de wieg bij Houweningen afgebeeld, maar plaatste Romeyn de Hooghe hem op de ets voor het boek van Balen bij de stadsmuur. Op latere afdrukken drijft de wieg zowel voor de stadsmuur als in de buurt van Houweningen.

Bronnen en literatuur
RAD, Stadsarchieven: de Grafelijke Tijd, toegang 1, inv.nr. 6 Klepboek, akte 358; inv.nr. 14 Aktenboek, akten 2007, 2328 en 2845.
RAD, Collectie van Handschriften, toegang 150, inv.nr. 2677 Notariële verklaring inzake de redding van Jonkheer Pieter van Nederveen tijdens de Sint Elisabethsvloed.
Chrysostomus Napolitanus, Epistola de situ Hollandiae vivendique Hollandorum institutes (Leuven 1514). Ook uitgeven door Petrus Scriverius in zijn Batavia Illustrata (Leiden 1609).
Matthijs Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677), p. 649, 769-770, 1205-1212.
Reijer Hendrik van Someren, De St. Elizabeths nacht ao. 1421, dichtstuk in drie zangen (Utrecht 1841).
J.C. Kobus en W. de Rivecourt, Beknopt biographisch handwoordenboek (Zutphen 1854), deel 1, p. 110-111.
H. van de Waal, Het kind in de wieg (St. Elisabethsvloed), in: Drie eeuwen vaderlandsche geschied-uitbeelding, 1500-1800. Een iconologische studie (’s-Gravenhage 1952), p. 255-258.
Liesbeth M. Helmus, De Elisabethsvloed en het altaar van de Wieldrechtenaren in de Grote Kerk van Dordrecht, in: Kwartaal & Teken Gemeentearchief Dordrecht, 18 (1992) nr. 1, p. 1-10.
Frank Peters en Mark Reintjes, De St. Elisabethsvloed, RTV-Dordrecht film (Dordrecht 2004). https://www.youtube.com/watch?v=cwwu6Mj28NM
Ruben A. Koman, Bèèh…! Groot Dordts volksverhalenboek. Een speurtocht naar volksverhalen, bijnamen, volksgeloof, mondelinge overlevering en vertelcultuur in Dordrecht (Bedum 2005).
Herman A. van Duinen en Cees Esseboom (red.), Verdronken dorpen boven water. Sint Elisabethsvloed 1421, geschiedenis en archeologie (Dordrecht 2007). [Verzamelwerk met facs. van oudere artikel en bijdragen van hedendaagse auteurs, uitgegeven door de vereniging Oud-Dordrecht].

Jan Alleblas (februari 2018)

 

Sluit het Verborgen Museum