August Julius Ferdinand Böhme

04-02-1815 (Gandersheim)  -  30-05-1883 (Gandersheim)

Portretfoto van Ferdinand Böhme, gemaakt te Dordrecht omstreeks 1875 (Regionaal Archief Dordrecht 552_306239)

August Julius Ferdinand Böhme werd op 4 februari 1815 te Gandersheim in het toenmalige hertogdom Braunschweig geboren (thans Bad Gandersheim in de deelstaat Nedersaksen), als zoon van Christian Böhme (1790-1864), stadsmusicus van Gandersheim, en Auguste Böhme-Marschfeld. Zijn moeder was voor haar huwelijk met Christian Böhme met stadsmusicus Johann Elias Michael Eyshold getrouwd. Ferdinand had tenminste één zuster: Auguste Böhme, geboren op 9 maart 1820 te Gandersheim. Zij was getrouwd met Christian Pick (1815-1875), die Christian Böhme als stadsmusicus opvolgde. Ferdinand is ongehuwd gebleven. Hij overleed te Gandersheim op 30 mei 1883.

Ferdinand Böhme is een uit Duitsland afkomstige dirigent, violist en componist. Omstreeks 1846 kwam hij naar Dordrecht waar hij al snel een centrale positie in het muziekleven innam. Böhme was een grondig muziektheoreticus en componeerde en arrangeerde gedurende zijn werkzame leven ruim 300 werken. Diverse werken zijn voor Dordtse gelegenheden gecomponeerd, zoals een Feestcantate ter gelegenheid van de oprichting van het standbeeld van de vermaarde Dordtse kunstschilder Ary Scheffer (1795-1858) op het toenmalige Beursplein (thans Scheffersplein geheten). In 1875 keerde hij voorgoed terug naar Duitsland.

Ferdinand stamde uit een muzikale familie. Zijn eerste muziekonderricht ontving hij van zijn vader. Zijn vader was door het stadsbestuur van Gandersheim aangesteld als stadsmusicus – Stadtmusikant – van Gandersheim. Dit was een vaste aanstelling die onder andere inhield dat hij verantwoordelijk was voor de verzorging van muziek voor stedelijke gebeurtenissen, zoals feestdagen en huwelijken, en kerkelijke muziek. Zijn vader was onder meer betrokken bij de oprichting van de Liedertafel Concordia, het mannenkoor van Gandersheim, en gaf leiding aan het Stadskapel van Gandersheim.

Vanaf zijn vijftiende studeerde Ferdinand in Leipzig , een van de op dat moment belangrijkste muzieksteden in Duitsland. Tot zijn docenten behoorden Carl Schmittbach (1798-?) en Carl Friedrich Zöllner (1800-1860). Vanaf 1839 studeerde hij in Kassel verder onder leiding van Louis Spohr (1784-1859) en Moritz Hauptmann (1792-1868). Met name deze Spohr, een vermaard Duitse componist, dirigent en pedagoog, van wie Böhme vioolonderricht kreeg, ziet al zeer snel zijn buitengewone talent. In een aanbevelingsbrief van 2 februari 1842 plaatst hij de jonge musicus op een voetstuk: Böhme is een ijverige student en weet zich in korte tijd te ontwikkelen tot een veelzijdige solist en, door zijn inzet in het Hoftheaterorkest, tot een geroutineerde orkestviolist. Spohr schrijft tevens dat Böhme in zijn studietijd al diverse muziekstukken componeerde – welke dat precies zijn is overigens onbekend wegens het ontbreken van een catalogus – die van een grote compositievaardigheid en gedegen kennis van de muziektheorie getuigen. Naast Spohr waren ook andere vakgenoten, muziekcritici en het luisterend publiek lovend over de kwaliteit van zijn composities.

Na zijn afstuderen werkte Böhme van 1842 tot 1846 voornamelijk in zijn geboortestad Gandersheim en richtte er een dameszangvereniging op. In deze periode maakte hij studiereizen door Italië, Frankrijk en Zwitserland. Tijdens deze studiereizen werd hij te Bern tot koordirecteur en eerste violist van het Stadttheater benoemd. Niet veel later werd hij muziekdirecteur van het theater in Genève.

Omstreeks 1846 kwam Böhme naar Dordrecht. Gedurende bijna 30 jaar zal hij er blijven wonen. Het bevolkingsregister over de jaren 1850-1860 vermeldt geen vestigingsdatum. Of Böhme bewust gesolliciteerd heeft of wegens zijn internationale reputatie in Dordrecht werd aangesteld, blijft wegens een gebrek aan bronnen onduidelijk. Wat vaststaat, is dat hij omstreeks 1850 aan de Spuiweg (op destijds huisnummer E.341) woonde en dat bij hem de weduwe Trijntje Kokseus met haar kinderen inwoonden. Ook blijkt dat Böhme in juli 1846 orkestdirecteur en leraar was aan de zangschool van de Dordtse afdeling van de Maatschappij tot Bevordering van de Toonkunst. Hij was op dat moment collega van – de eveneens Duitse musicus – J.W.M. (Wilhelm) Ochsendorff (1799-1853), die dirigent van de Dordtse Liedertafel Aurora was en de leiding voerde over de zangschool. Böhme heeft hem in deze functies kort daarna opgevolgd.

In enkele jaren tijd werd Böhme hoofd (en later erelid) van alle muziekverenigingen in Dordrecht, zoals het Harmoniegezelschap Euterpe, het Dordrechtsch Concert, de Dordtse Liedertafel en de Vereeniging Kunstmin. In 1849 werd hij directeur van de door hem mede opgerichte Stedelijke Muziekschool. Ook werd hij aangesteld als kapelmeester van het muziekkorps van de Dordtse Schutterij (vanaf 1869 in de personele rang van tweede-luitenant).

Enige van Böhmes Dordtse leerlingen werden later beroemde musici zoals Willem Kes (1856-1934), die de eerste chef-dirigent van het Concertgebouworkest in Amsterdam werd, en Johanna Wilhelmina Gips (1843-1895), die in haar tijd ‘s-lands beroemdste sopraanzangeres was. Andere bekende leerlingen van Böhme waren de uit Nijkerk afkomstige pianist en muziekpedagoog James Kwast (1852-1927) en de Dordtse musicus Cornelis van der Linden, die de Nederlandsche Opera te Amsterdam oprichtte.

Tot een van de muzikale hoogtepunten uit de carrière van Ferdinand kan worden gerekend de Feestcantate die hij in 1862 componeerde en met het Harmoniegezelschap Euterpe uitvoerde ter gelegenheid van de oprichting van het standbeeld van de vermaarde Dordtse kunstschilder Ary Scheffer (1795-1858) op het toenmalige Beursplein (thans Scheffersplein geheten). In september 1869 nam hij als kapelmeester van het muziekkorps van de Dordtse Schutterij deel aan de muzikale schuttersfeesten (concours) in Brussel. Met het korps behaalde hij de eerste prijs. Twee jaar later ontving hij van de officieren van de schutterij een zilveren erebokaal voor zijn buitengewone inzet als componist en kapelmeester gedurende de jaren 1859-1871. Het deksel van de bokaal is rijkelijk versierd met muziekinstrumenten. De bokaal werd in 2001 door een verre verwante van Böhme aan het Stadtmuseum Bad Gandersheim geschonken. Een van de laatste hoogtepunten is het ‘Tweedaagsch Muziekfeest’ in Dordrecht in 1873 van Dordtse afdeling van Toonkunst. Onder andere Böhmes negende ouverture – Dramatische Ouverture – in c-mineur werd uitgevoerd. Aansluitend traden zijn bekende leerlingen Willem Kes en Wilhelmina Gips als violist en sopraan op in het kader van een ‘Kunstenaarsconcert’. Het feest werd met een maaltijd en bal besloten.

Een voortschrijdende oogziekte dwong Böhme uiteindelijk in 1875 al zijn betrekkingen neer te leggen. Bij zijn afscheid van de zangvereniging van de Dordtse afdeling van Toonkunst werd hem door enige van zijn ‘vrienden en vereerders’ onder meer een fotoalbum en een pianino – verondersteld mag worden een buffetpiano – aangeboden. Door J. Gipz Jz. werd hij op 23 april 1875 door middel van een afscheidsgroet in dichtvorm bejubeld. Een citaat hieruit brengt zijn toonaangevende bijdrage aan de verbetering van het muziekleven in Dordrecht in herinnering:

‘ […] Eens was de Toonkunst hier te Dordt
In diep verval, haar regt verkort,
Vernedring moest haar treffen;
Wie was toen ’t meest met haar begaan?
Gij waarde Böhm, stondt bovenaan,
Om haar uit ’t slijk te heffen!
En dat ge vrucht daarvoor ontving,
Dat tuigt de Zangvereeniging.’

Na zijn afscheid verhuisde Ferdinand Böhme naar Greene bij Einsbeck. Daarna vertoefde hij nog gedurende enige perioden te Leipzig. Tot zijn dood was hij bevriend met vooraanstaande musici in het binnen- en buitenland waaronder Julius Rietz, een componist uit Dresden; Adrien François Servais, een Belgische cellist; Julius Röntgen, een Nederlands-Duitse componist, pianist en dirigent; Carlo Alfredo Piatti, een Italiaanse cellist; en Carl Tausig, een Poolse pianist en componist.

Böhme overleed in zijn geboorteplaats Gandersheim op 30 mei 1883 en werd aldaar op 2 juni 1883 begraven op de Salzberger Friedhof. Zijn begrafenis trok veel belangstelling. In Dordrecht bleef zijn overlijden niet onopgemerkt. De Dordrechtsche Courant bericht dat op 5 juni 1883 een zomerconcert ter nagedachtenis aan hem werd gegeven, in het gebouw van de vereniging Musis Sacrum, aan de Parallelweg. Het programma bestond volledig uit enkele van Böhmes bekendste werken.

Enkele werken
Böhme componeerde voornamelijk vocale en instrumentale muziek, zoals kwartetten, ouverturen en cantaten. Slechts weinig werken verschenen in druk en een catalogisering van al zijn werken – ongeveer 300 in totaal – ontbreekt tot op heden. Enkele autografen en gedrukte partituren bevinden zich bij het Regionaal Archief Dordrecht. Tot Böhmes bekendste composities behoren:
Marche funèbre en Elégie aan Ary Scheffer (1859).
Feestcantate, ter gelegenheid van de onthulling van een standbeeld van Ary Scheffer (1862).
Grande Polonaise, voor piano.
Souvenir de Suisse, voor viool.
Meitrank, voor mannenkoor en kwartet (1862).
Negen ouvertures.

Bronnen en literatuur
Afdeling Dordrecht van de Maatschappij tot Bevordering van de Toonkunst, RAD, archief 143, inv.nrs. 173, 174 en 186.
Vereniging ‘Kunstmin’, RAD, archief 63 (inleiding van de inventaris).
Dordrechtsche Courant, RAD, archief 569, o.a. 1862, 1869, 1871 en 1883.
Handschriftencollectie, RAD, archief 150, inv.nr. 740.
Dienstdoende Schutterij, RAD, archief 25, inv.nr. 227.
Vereniging ‘Dordrechtsche Liedertafel’, RAD, archief 50, inv.nrs. 14, 16 en 17.
Sächsische Landesbibliothek – Staats- und Universitätsbibliothek Dresden (SLUB), Album Amicorum van Ferdinand Böhme, beschikbaar via https://digital.slub-dresden.de/werkansicht/dlf/353333/3/0/ (geraadpleegd op 16 december 2019).
H.A. Viotta e.a., Lexicon der toonkunst, deel 1 (Amsterdam, 1881), p. 213.
P. Kooij, V.C. Sleebe e.a., Geschiedenis van Dordrecht van 1813 tot 2000 (Hilversum, 2000), met name p. 361-364.
A.C. Kronenberg, Ferdinand Böhme, bedeutender Musiker aus Gandersheim, in: Die Kurzeitung, uitgave 1, 2009, p. 6-7.
J.H. Letzer, Muzikaal Nederland 1850-1910, tweede uitgave (Utrecht, 1913), p. 19.

Jan Willem Nieuwold (december 2019)

 

Sluit het Verborgen Museum