Arnold Houbraken

28-03-1660 (Dordrecht)  -  14-10-1719 (Amsterdam)

Portret van Arnold Houbraken, gravure van Dirk van Hoogstraten.

Arnold, Arnoldus of Aert Houbraken (ook wel Hoebraken of Houbraecken) werd geboren te Dordrecht op 28 maart 1660. Hij overleed in Amsterdam op 14 oktober 1719 en werd daar op 18 oktober 1719 begraven in de uit 1347 stammende Nieuwezijds Kapel.  Arnold was de zoon van Jan Jansz Houbraken (? – 18 mei 1676) kleermaker, en Truycken Aertsdr Gudde (? – 16 oktober 1679), beide ouders waren doopsgezind. Hij werd als lidmaat van de doopsgezinde gemeente aangenomen op 30 juni 1680. Op 3 juli 1685 trouwde hij met attestatie van Dordrecht te Alblasserdam met Sara Souburgh (1662-1729). Zij was de dochter van Jacob Sasbout Souburg (Middelburg 1637- Dordrecht 1694), stadschirurgijn te Dordrecht van 1661 tot 1694, en van Emmerentia van Velsen (<1659-1699). Uit het huwelijk van Arnold en Sara werden tussen 1686 en 1706 tien kinderen geboren.

Arnold Houbraken was een fijnschilder van onder andere historie- en genrestukken en landschappen. Hij was voorts tekenaar, prentmaker (etser), decoratieschilder en miniatuurschilder. Daarnaast schreef en illustreerde hij enkele boeken. Hij werkte in Dordrecht van 1678 tot 1709, waarna hij naar Amsterdam verhuisde. Zijn bekendheid was grotendeels te danken aan zijn biografieën van kunstenaars die hij neerlegde in zijn bekendste en belangrijkste boek: De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen.

Over de vroegste jeugd en scholing van Houbraken is niets bekend. Als jongen van negen jaar trad hij in 1669 in dienst van garentwijnder en vendumeester Johannes de Haen (1650-1730). De Haen die zelf schilder- en tekenlessen had gevolgd van de Dordtse schilder Nicolaas Maes (Dordrecht 1634-Amsterdam 1693), introduceerde hem in de kunst van het graveren en hij stond Arnold toe bij wijze van oefening afbeeldingen te kopiëren. Arnold bleef in dienst van De Haan tot 1671. In 1672 ging Houbraken in de leer bij landschapsschilder Willem van Drielenburg (Utrecht 1632- Dordrecht 1687) die zich rond 1667 in Dordrecht gevestigd had. Op 1 december 1674 volgde Jacobus Jacquesz Levecq (Dordrecht 1634- Dordrecht 1675) van Drielenburg als leermeester op. Levecq overleed echter al snel en van 1675 tot eind 1678 was de bekende schilder Samuel Dirksz van Hoogstraten (Dordrecht 1627-Dordrecht 1678) Houbrakens leermeester. Van Hoogstraten was evenals Levecq een leerling van Rembrandt van Rijn (1606-1669). Hij maakte Arnold bekend met de academische, classicistische kunsttheorie die hij ontvouwde in zijn bekende boek: Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst: anders de zichtbaere werelt (1678).

Na de leertijd bij Van Hoogstraten vestigde Houbraken zich in Dordrecht als zelfstandig schilder en trad hij in 1678 toe tot het Sint Lucasgilde, de broederschap van schilders. Houbraken werkte na zijn huwelijk met Sara Souburg voornamelijk als schilder van historiestukken en als portretschilder. De historiestukken werden soms ook verwerkt in decoratieve wand- en plafondschilderingen. Een voorbeeld is de plafondschildering: De intrede van Venus in de kring van de goden op de Olympus (circa 1700), die aan Houbraken wordt toegeschreven. De schildering werd ontdekt bij de verbouwing van het pand Groenmarkt 3. Ook voor de regentenkamer van de Arend Maartenshof maakte hij een schoorsteenstuk en een plafondschildering (circa 1701).

Als zelfstandig gevestigd schilder was hij leermeester van zijn dochter Antonya (1686-1736) en zijn zoon Jacobus (1698-1780). Antonya tekende verdienstelijk en Jacobus was een uitstekend graveur, tekenaar en tevens kunstverzamelaar. Ook dochter Christina (1695-1760) schijnt te hebben getekend, maar van haar is geen werk overgeleverd. Ook Matthijs Balen (1684-1766) de kleinzoon van de auteur van de Beschryvinge der stad Dordrecht uit 1677 was een leerling, evenals John Graham (1705-1775), een Engelse schilder die vaak voor langere perioden in Nederland verbleef. De Dordtse schilder Adriaen van der Burg (1693-1733) was waarschijnlijk eveneens een leerling.

Op 1 december 1699 kocht Houbraken uit de nalatenschap van Jacob Latour (1633-1693) het huis Maastricht aan de Varkenmarkt (thans nummers 75, 77 en 79) voor 1.215 gulden. Het huis was in 1663 gebouwd in opdracht van de uit Luik afkomstige koopman Balthasar Latour (circa 1605-1688). Het grote pand was het enige herenhuis aan de Varkenmarkt. Houbraken woonde daar met zijn gezin tot zijn vertrek naar Amsterdam in 1709. Hij verkocht het pand op 27 april 1709 aan Jacob Jacobsz (?) voor duizend gulden contant.

De vermogende collectioneur Jonas Witsen (1676-1715) afkomstig uit een vooraanstaande Amsterdamse familie, was stadssecretaris en later schepen van Amsterdam. Hij raadde Houbraken aan zich in Amsterdam te vestigen. Er was in Amsterdam meer kans op opdrachten voor een historieschilder dan in Dordrecht. Bovendien hoopte Houbraken op het mecenaat van Witsen. Dat waren twee redenen om in 1709 naar Amsterdam te verhuizen waar het gezin zich aan de Prinsengracht vestigde. Witsen gaf Houbraken opdracht enkele schilderijen te maken. Op 8 oktober 1710 legde Houbraken de poortereed van Amsterdam af. De verhuizing bleek geen goede beslissing. Van het mecenaat kwam niet heel veel terecht en Witsen overleed in 1715. Ook met andere serieuze opdrachten wilde het niet vlotten en Houbraken zag zich daarom gedwongen om werk beneden zijn niveau te doen zoals ‘staffage’, dat wil zeggen het aanbrengen van figuren en dieren op oude landschappen en het maken van boekillustraties (gravures) zoals hij had gedaan in boeken van Samuel van Hoogstraten en van Matthijs Balen, de kleinzoon van de Dordtse historicus.

Volgens alle biografische woordenboeken zou Arnold Houbraken in 1713 samen zijn Engelse collega George Vertue (1684-1756) van de Engelse historicus Thomas Birch (1705-1766) opdracht hebben gekregen om gravures te maken voor diens boek over de geschiedenis van Engeland: The heads of illustrious persons of Great Britain dat in delen verscheen tussen 1743 en 1752. Houbraken zou negen maanden in Engeland hebben verbleven voor het uitvoeren van deze opdracht. Dit is onjuist. De prenten uit dit boek, voor zover niet gesigneerd door Vertue, zijn zonder uitzondering gesigneerd door Arnolds zoon Jacobus Houbraken. Ook de National Portrait Gallery wijst zonder voorbehoud Jacobus aan als de graveur. Het jaar waarin de opdracht zou zijn verleend, lijkt ook onjuist aangezien Birch in 1713 pas ongeveer acht jaar oud was.

Van de Haagse schilder Sebastiaan van Heemskerk (circa 1670-1748) kreeg Houbraken opdracht een vijftal historiestukken te vervaardigen. Bankier Pieter Leendert de Neufville (1677-1755) uit Amsterdam bestelde bij hem een kruisiging van Christus, hetgeen financieel enig soelaas gaf. Houbraken publiceerde meerdere boeken. Zijn belangrijkste werk was De groote schouburg der Nederlantsche konstschilders en schilderessen dat in Amsterdam in drie delen verscheen (1718 en 1719, het derde deel postuum in 1721). Het boek bevatte vijfhonderdvijftig biografieën van schilders en schilderessen uit de zeventiende eeuw. Het is tot op heden een belangrijke bron omdat Houbraken de beschikking had over de nu verloren gegane papieren van de Dordtse schilderbroederschap Sint Lucas. Hij kende bovendien veel schilders en hun nazaten en relaties persoonlijk. Houbraken was naar het schijnt zorgvuldig met zijn bronnenonderzoek en veel van zijn oordelen staan nog steeds recht overeind. Het boek was de opvolger van het bekende Schilderboeck uit 1604 van schilder en schrijver Carel van Mander (1548-1606), waarin zestiende-eeuwse schilders werden beschreven. De groote schouburg en Houbrakens andere boeken werden in de achttiende eeuw goed verkocht. Houbrakens eerste biograaf was Johan van Gool (1685-1763): hij kreeg een plaats in van Gools De nieuwe schouburg der Nederlantsche kunstschilders en schilderessen dat was bedoeld als aanvulling en correctie op De groote schouburg en dat honderdnegentig biografieën bevatte (1750-1751). Postuum verscheen nog Houbrakens Stichtelyke zinnebeelden gepast op deugden en ondeugden. In LVII taferelen (1723) dat hij samen met dichteres Gezine Brit (1669?-1747) uitbracht. Brit schreef tienregelige gedichten bij de door Houbraken vervaardigde gravures.

Publicaties
Een en veertig stuks verscheyden zinnebeelden. geïnverteerd en in ’t koper gebracht door A. Houbraken (Dordrecht 1700).
De groote schouburg der Nederlantsche konstschilders en schilderessen. Drie delen (Amsterdam 1718, 1719 en 1721).
Stichtelyke zinnebeelden gepast op deugden en ondeugden. In 57 taferelen (Amsterdam 1723).

Bronnen en literatuur
NNBW, deel 10, p. 388.
Van der Aa, deel 8-2, p. 1302.
J. van Gool, De nieuwe schouburg der Nederlantsche kunstschilders en schilderessen (Den Haag 1750-1751).
R. van Eijnden en A. van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst (4 delen, Amsterdam 1816-1840).
F.J. van den Branden en J.G. Frederiks, Biografisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde. (Amsterdam 1888-1891).
Hendrik J. Horn, The golden age revisited: Arnold Houbraken’s great theatre of Netherlandisch painters and paintresses (Doornspijk 2000).
http://acsga.uva.nl/ (Amsterdam Centre for the Study of the Golden Age).

Roel Leentvaar (december 2016)

 

 

Sluit het Verborgen Museum