Arend Maartensz

1555 (Dordrecht)  -  20-11-1629 (Dordrecht)

Borstbeeld van Arend Maartensz in met bond omzoomde mantel op 72-jarige leeftijd. Tekening in kleur door J. Rutten naar schilderij uit 1627 in regentenkamer Arend Maartenshof (Regionaal Archief Dordrecht 551-36433).

Geboren in 1555 te Dordrecht en daar overleden 20 november 1629, begraven in het familiegraf in de Grote Kerk, natuurlijke zoon van een pastoor met de naam Maarten en diens huishoudster. Hij trouwde driemaal: in februari 1577 met Corsken Gerritsdr (bijgenaamd Christina) van Dijck (Delft 1556?-<1618), daarna op 8 juli 1618 te Dordrecht met de Haagse Hortensia Sweerts (1580-1621), dochter van Jacob Sweerts (ook Severus en Suerius) en Catharina Hoefnagel, en de derde maal op 30 mei 1623 met Clementia van Beaumont (1578-1649), ambachtsvrouwe van de Kleine Lindt, dochter van Adriaan Beaumont en Aletta van Beveren. Uit zijn eerste huwelijk twee kinderen: zoon Abraham (1578-augustus 1595) en dochter Alida (Aeltien), ambachtsvrouwe van Barendrecht (1581-8 augustus 1638). Zij trouwde 7 juni 1598 te Dordrecht met Cornelis van Beveren (16 augustus 1568-23 juli 1641) schepen en burgemeester van Dordrecht, dijkgraaf van de Alblasserwaard en Zwijndrechtse Waard en gedeputeerde ter Staten-Generaal.

Arend (ook Arent en Aert) Maartensz (ook Martenss en Maertensz) leed onder het gegeven dat hij een buitenechtelijk kind was. Dat uitte zich in het streven naar erkenning. Zijn succesvolle carrière binnen het financiële apparaat van de stad, een uitstekend financieel inzicht, het verwerven van een tweetal ambachtsheerlijkheden en huwelijken op stand bezorgden hem die erkenning. Na 1600 bewoog hij zich in de hoogste kringen. Rijkdom vergaarde hij door zijn huwelijken, door goede beleggingen en door het berekenen van woekerrente op door hem verstrekte leningen. Hij wordt vooral als woekeraar herinnerd, maar Arend Maartensz had aanzienlijke economische en politieke invloed, zowel lokaal als in het gewest Holland. Tegen het einde van zijn leven bekommerde hij zich om de minderfortuinlijke medemens.

Over de opleiding van Arend Maartensz zijn geen gegevens beschikbaar, maar gezien zijn prestaties zal hij een gedegen scholing hebben ontvangen. Zijn loopbaan in stedelijke dienst was van financiële aard. Hij was collecteur van de 50ste en de 100ste penning, ontvanger van de logiesgelden voor het in de stad gelegerde garnizoen en administrateur van de financiële zaken rond de in 1585 opgerichte twaalf burgercompagnieën. Toen Dordrecht werd verplicht bij te dragen in de kosten van de strijd tegen Spanje, nam Arend Maartensz ook daarvan de administratie op zich en hij zou dat veertig jaren volhouden. In financiële zaken had hij zich voor het Dordtse bestuursapparaat onmisbaar gemaakt. Deze activiteiten leidden ertoe dat hij per 1 januari 1587 werd benoemd in de prestigieuze baan van ‘clerck ordinaris van de camere van de tresorie’, de rechterhand van de stedelijke thesauriers.

De geboortedata van zijn twee kinderen uit het eerste huwelijk zijn niet vastgelegd in een doopregister, maar zijn vast te stellen uit het feit dat Arend in oktober 1584 een lijfrente afsloot op naam van Abraham Arentsz, oud zes jaar, en Aeltgen Aerts, oud drie jaar. Het gegeven dat hij een buitenechtelijk kind was, achtervolgde hem. Hij verzocht de Staten van Holland en Westfriesland zijn geboorte te legitimeren, waarbij hij er op wees dat door de ‘onchristelijke pauselijke wetten, inhoudende onder anderen dat pastooren geen egte huijsvrouwe mogten trouwen, is verhindert geweest, dat hij suppliant niet legitime gebooren heeft konnen worden’. Hij benadrukte dat zonder die wetten zijn geboorte beslist legitiem zou zijn geweest, want ‘Vader ende Moeder hen houdende als huwelijksluijden noijt malkandere hadden verlaten tot het eijnde haars levens, geduert hebbende den tijd van twintig jaren’. De Staten verleenden op 31 januari 1596 de gewenste legitimatie.

Arend Maartensz streefde ernaar tot de Dordtse upperclass te gaan behoren. Door zijn huwelijken kwam hij in de kringen van de belangrijke Dordtse patriciërsgeslachten Beaumont, Van Beveren en De Witt en daaraan gelieerde families en daardoor ook binnen de politieke elite van het gewest Holland. Het huwelijk van zijn dochter met Cornelis van Beveren in 1598 vormde het bewijs dat Arend zich van een plaats binnen de Dordtse bovenlaag had verzekerd. De schoonmoeder uit zijn tweede huwelijk was een zuster van Suzanna Hoefnagel, de echtgenote van Christiaan Huygens, waardoor hij eveneens in belangrijke landelijke financiële en culturele kringen verkeerde. Zijn positie binnen de Dordtse elite nam in 1603 in betekenis toe door het verwerven van de heerlijkheid Schobbelandsambacht waarbinnen Zwijndrecht lag. De ambachtsvrouwe had een aanzienlijke lening bij Arend Maartensz afgesloten die zij niet kon aflossen, waarna de ambachtsheerlijkheid noodgedwongen aan hem werd overgedragen. Hij voerde nu de titel Heer van Schobbelandsambacht en maakte deel uit van het college van samenwerkende ambachtsheren en -vrouwen in de Zwijndrechtse Waard en had daardoor invloed binnen het hoogheemraadschap.

De verworven rijkdom stelde Arend in staat met een aanzienlijk bedrag deel te nemen in de plaatselijke Bank van Lening. Hij investeerde er ruim 41.000 gulden (in 2013 gelijk aan circa € 500.000). De woekerrente die de bank berekende, was voor de Dordtse gereformeerde (= hervormde) kerkenraad niet acceptabel. Vanwege het berekenen van ‘onbehoerlijcken interest’ werd hij in 1606 uitgesloten van deelname aan het Heilig Avondmaal, een schorsing die ondanks verzoeken van Arend vier jaren zou duren.

Arend Maaartensz zag in 1602 bij de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (de VOC) direct het belang van deze onderneming en zijn deelname erin voor een bedrag van 10.500 guldens maakte hem tot een belangrijke aandeelhouder en de grootste Dordtse participant. Zijn ambitie reikte almaar verder, want in 1617 werd hij door aankoop eigenaar van de heerlijkheid Oost-Barendrecht, waar hij al een boerderij en landerijen bezat. Vanaf dat moment ging hij door het leven als Arend Maartensz, Heer van Schobbelandtsambacht en (Oost-)Barendrecht. Zijn groeiende inkomsten uit de twee heerlijkheden, zijn salarissen, maar vooral zijn derde huwelijk met de puissant rijke Clementia van Beaumont hadden hem tot een van de rijkste Dordtenaren gemaakt. Hij was zelfs de rijkste inwoner, zoals in 1622 bleek. Zijn vermogen werd toen getaxeerd op 324.000 gulden (ongeveer het jaarloon van 1.300 ongeschoolde arbeiders). Hij maakte ook deel uit van het college van gasthuismeesters van het Sacramentsgasthuis, het ziekenhuis aan de Visstraat waaraan hij diverse schenkingen deed.

In 1624 vatte Arend het plan op in Dordrecht aan de Nonnenstraat, nu Museumstraat, een hofje te stichten. Met medewerking van het stadsbestuur kwam de hof met 38 woningen in carrévorm in 1625 gereed. De liefdadige instelling was bestemd voor ‘oude en oock jonge behoeftige vrouwen met kinderen belast ofte sonder kinderen, oock vrouw ende man, daerinne begrepen soldatenweduwen, die de landen gediend hebben’. Was het om zijn geweten te sussen vanwege de woekerrente en het procederen tegen geldleners die hun verplichtingen niet konden nakomen, of wilde hij zijn medemens laten profiteren van zijn verworven rijkdom? Daarover lopen de meningen uiteen. Vast staat dat Arend Maartensz tijdens zijn eerste huwelijk voor 1.200 gulden een lijfrente kocht waarvan de jaarlijkse opbrengst bestemd was voor ‘den armen staende onder de bediening van de Diaeckoynnie deeser steede’. Bij de oplevering van de Arend Maartenshof bepaalde de stichter dat wekelijks zes stuivers per woning zou worden gegeven, met Pasen en Kerstmis het dubbele. Bovendien werd aan iedere huurder twintig tonnen turf (ongeveer 4.500 liter) per jaar beschikbaar gesteld. Arend maakte nog een extra gebaar naar de hervormde kerkenraad door jaarlijks 600 gulden beschikbaar te stellen ‘tot onderhout van twee ofte meer studenten die sullen studeren in de heylige theologie, omme de kercke Godts in toecomende tijde te mogen dienen’. Ten behoeve van de uitkeringen kocht hij bij de stad een lijfrente voor ruim 23.000 gulden.

In september 1625 ontving Maartensz op de leeftijd van 70 jaar eervol ontslag uit stedelijke dienst. Zijn deskundigheid op financieel gebied werd echter behouden door hem voor de rest van zijn leven te benoemen tot gecommitteerde in het college ten beleide van stadszaken ‘omme sijne sonderlinge genegenheyt ende affectie tot deser stede welvaert ende welstant derselver finantie’. De bekroning van de waardering voor zijn werkzaamheden voor de stad was zijn benoeming tot schepen van Dordrecht in 1626, een functie die hij enkele jaren bekleedde.

Bronnen en literatuur
Regionaal Archief Dordrecht: archief 9 (Gerecht van Dordrecht) en 27  (Kerkenraad Hervormde Gemeente).
J.L. van Dalen, Arend Martensz, in: Dordtse Schetsen nr. 33 (Dordrecht 1888).
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek 4, p. 943, Arend Maartensz.
A.J. Busch, Arent Maertensz, in: Jaarverslag 1965 Vereniging Oud-Dordrecht (Dordrecht 1966).

Schilderijen
In de regentenkamer van de Arend Maartenshof hangen 14 portretten van Arend Maartensz, zijn drie echtgenotes en zijn nakomelingen.

Cees Esseboom (januari 2013)

Sluit het Verborgen Museum