Anton van Gijn

17-09-1866 (Dordrecht)  -  11-05-1933 (Den Haag)

Geboren te Dordrecht op 17 september 1866, overleden te Den Haag op 11 mei 1933. Anton van Gijn was de jongste zoon uit het derde huwelijk (Dordrecht 13 september 1855) van Hugo van Gijn (Vlaardingen 13 december 1809-Dordrecht 24 juli 1870), visserijreder en houthandelaar, met Franꞔoise Cornelia Stoop (Dordrecht 13 oktober 1823-Dordrecht 12 april 1907). Het eerste huwelijk van Hugo van Gijn werd op 28 april 1841 te Dordrecht gesloten met Huibrechtje Antonia Kuyl (1811-1843), dochter van een Dordtse houthandelaar en bleef kinderloos. Daarna huwde hij op 24 november 1847 in Dordrecht met Christina Johanna Antonia Blussé (1816-1851). Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren:
– Simon Marius Hugo (Dordrecht 8 oktober 1848-Dubbeldam 24 september 1937, gehuwd met Johanna Heilina Roodenburg, houthandelaar en politicus)
– Pieter (Dordrecht 31 december 1849-Dordrecht 28 augustus 1850).

Na het overlijden van zijn tweede vrouw trad Hugo van Gijn op 13 september 1855 te Dordrecht voor de derde maal in het huwelijk met Françoise Cornelia Stoop. Zij was een dochter van Franꞔois Stoop en Anna Cornelia Gerarda ’t Hooft. Uit dit huwelijk werden naast Anton zes kinderen geboren:
– een levenloos geboren kind (Dordrecht 21 augustus 1856)
– Anna Cornelia Willemina (Dordrecht 25 juli 1857-Haarlem 22 april 19815, gehuwd te Dordrecht 11 juni 1879 met Elias van Dorsser, fabrikant)
– Anton (Dordrecht 24 maart 1859-Dordrecht 11 juni 1862)
– Franꞔois Herman (Dordrecht 10 juli 1861-Dordrecht 1 december 1932, gehuwd te Dordrecht 26 april 1888 met Louise Wilhelmina Roodenburg, koopman)
– Nicolaas Dirk (Dordrecht 22 april 1863-Dordrecht 27 juli 1915, gehuwd te Dordrecht 25 april 1900 met Adriana Cornelia van Wageningen, agent van buitenlandse handelshuizen)
– Margaretha Johanna Anthonia (Dordrecht 14 juli 1865-Dordrecht 27 januari 1930, gehuwd te Dordrecht 24 oktober 1894 met Adriaan Pieter Hendrik de Vos, koopman).

Anton van Gijn trouwde op 12 maart 1896 te Den Haag met Gijsberta Johanna Maas Geesteranus (Utrecht 21 maart 1873-Den Haag 2 april 1947). Zij was de dochter van Pieter Maas Geesteranus en Clasina Theresia de Bie Luden. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren. Bij Koninklijk Besluit van 26 juni 1906 adopteerden zij hun pleegdochter Maria van Slingelandt (Tiel 25 februari 1902-?, gehuwd te Den Haag 9 januari 1923 met Wilhelm Johann Ferdinand Karl Maria Ritter von Vest, werkzaam bij een petroleummaatschappij). Anton was een volle neef van Simon van Gijn, bekend door het naar hem genoemde museum Huis Van Gijn in Dordrecht.

Anton van Gijn staat bekend als een vooraanstaand econoom uit de oud-liberale school. Hij was een pleitbezorger van de vrijhandel en een specialist op het gebied van de openbare financiën. In 1909 werd Van Gijn thesaurier-generaal op het ministerie van Financiën en in die hoedanigheid de steun en toeverlaat van menig minister. In 1916 volgde zijn benoeming tot minister van Financiën. Al na een jaar trad Van Gijn weer af vanwege een conflict over de Distributiewet. In 1918 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Universiteit van Leiden. Van 1922-1929 was hij daarnaast lid van de Tweede Kamer, de laatste twee jaar als fractievoorzitter van de Vrijheidsbond. Anton van Gijn stond bekend als een weinig buigzaam mens; immer vasthoudend en overtuigd van zijn eigen gelijk.

Anton van Gijn volgde zijn middelbare schoolopleiding aan het gymnasium in Dordrecht. In 1886 schreef hij zich in bij de rechtenfaculteit aan de Leidse universiteit en studeerde daar rechts- en staatswetenschappen. Op 25 mei 1892 promoveerde hij er op het proefschrift Herziening van de belastbare opbrengst van ongebouwde eigendommen. In de tussentijd volgde Van Gijn ook nog colleges economie aan de Universiteit van Berlijn bij Adolph Wagner (1835-1917), een van de grondleggers van de leer der openbare financiën.

In 1893 werd Anton van Gijn aangesteld als commies bij de griffie van de provincie Zuid-Holland. Zijn kennis van de openbare financiën trok de aandacht, zodat in 1905 zijn benoeming volgde tot thesaurier van de rijksschatkist. Onder minister M.J.C.M. Kolkman (1853-1924) werd Van Gijn op 1 maart 1909 vervolgens thesaurier-generaal, een functie die hij tot februari 1916 zou vervullen. De erkenning van zijn deskundigheid leidde er in 1913 toe dat kabinetsformateur P.W.A. Cort van der Linden (1846-1935) hem vroeg minister van Financiën te worden. Van Gijn weigerde omdat hij bezwaren had tegen de voorgestelde dekking van de rijksuitgaven en het voorgenomen extraparlementaire karakter van het kabinet. Van 1911 tot 1916 zat hij voor de liberalen in de Provinciale Staten van Zuid-Holland.

Na het tussentijds aftreden van M.W.F. Treub (1858-1931) door een conflict met de Tweede Kamer over een pensioenbelasting werd Anton van Gijn op 8 februari 1916 alsnog tot minister van Financiën benoemd. Dit gebeurde pas nadat Cort van der Linden akkoord was gegaan met zijn eisen over een andere inrichting van de rijksbegroting en een beperking van de mobilisatie-uitgaven. Want hoewel Nederland in de Eerste Wereldoorlog haar neutraliteit wist te bewaren, was het leger wel vier jaar lang gemobiliseerd. Als minister bracht Van Gijn een Zegelwet, de Wet op de oorlogswinstbelasting en een herziening van de Successiewet tot stand. Op 22 februari 1917 bood hij echter zijn ontslag al weer aan vanwege een conflict met F.E. Posthuma (1874-1943), minister van Landbouw, Nijverheid en Handel. Van Gijn wilde de overheidssubsidiëring van de belangrijkste, schaarse levensmiddelen, waardoor de prijzen laag bleven, afschaffen. Hij verloor het pleit in het kabinet en trad daarom – principieel als hij was – af.

In 1918 werd Van Gijn aangesteld tot bijzonder hoogleraar in de leer der financiën aan de Leidse universiteit. In 1920 werd dit omgezet in een privaatdocentschap. In 1919 was hij ook privaatdocent aan de Nederlandsche Handels-Hoogeschool te Rotterdam geworden. Deze laatste functie zou hij tot 1922 vervullen. Van 1901 tot 1923 was Van Gijn met een onderbreking tijdens zijn ministerschap redactielid van De economist. In dit tijdschrift en in vele andere publicaties oefende hij invloed uit op het denken over en de praktijk van de openbare financiën in Nederland.

Vanaf 1922 bezette Gijn een van de bankjes in de Tweede Kamer. Aanvankelijk was hij lid van de Vrijzinnig Democratische Bond maar stapte in 1922 over naar de Liberale Staatspartij ‘De Vrijheidsbond’. Na het overlijden van H.C. Dresselhuijs (1870-1926) werd hij tot 1929 zelfs fractievoorzitter. In de Tweede Kamer sprak Van Gijn over uiteenlopende zaken, zoals financiën, binnenlandse zaken, hoger onderwijs, waterstaat, Suriname, volksgezondheid en sociale wetgeving.

Van Gijn vervulde in de loop der jaren vele nevenfuncties. Zo was hij van 1913-1916 en 1917-1926 koninklijk commissaris bij de N.V. De Nederlandsche Bank. In deze functie keerde hij zich tegen de door de bank gevoerde geldpolitiek die volgens hem leidde tot een devaluatie van de gulden. Ook op vele andere terreinen van het maatschappelijk en economisch leven was Van Gijn actief. Zo was hij vele jaren regeringscommissaris bij de met overheidssteun opgerichte Koninklijke Hollandsche Lloyd (1908-1920) en president-commissaris van de Nederlandsche Uitvoer Maatschappij (1920-1925). Van mei 1924 tot februari 1926 trad Van Gijn op als adviseur van de Nationale Bank van Oostenrijk. Hij was hiervoor aangezocht door de oud-burgemeester van Dordrecht A.L. Zimmerman (1869-1939) die commissaris-generaal van de Volkenbond in Oostenrijk was. In het kader van een hulpprogramma van de Volkenbond moest Van Gijn advies uitbrengen bij de sanering van de staatsfinanciën van het land. Later stond hij ook de regering in Praag in soortgelijke zaken bij. Daarnaast was Van Gijn onder andere medeoprichter en ondervoorzitter van de Vereniging tot Bestrijding van den Woeker, voorzitter van de Vereeniging voor Vrij Ruilverkeer (later de Vereeniging voor Vrijhandel) en secretaris van de Gezondheidscommissie in Den Haag.

Van Gijn werd benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en in 1926 tot commandeur in de Orde van Oranje-Nassau. In die tijd begon zijn gezondheid geleidelijk achteruit te gaan. In 1929 legde hij zijn onderwijsfunctie in Leiden neer en bedankte voor het lidmaatschap van de Tweede Kamer. Van Gijn zou echter nog vier jaar in betrekkelijke rust leven. Op 11 mei 1933 overleed Prof. Mr. Dr. Ant. van Gijn in zijn woning aan de Bankastraat in Den Haag.

Publicaties
Herziening van de belastingopbrengst van ongebouwde eigendommen (Leiden 1892).
Een verbeterd ‘Gothenburgsch stelsel’. Vlugschrift met het oog op de herziening der Drankwet (1903).
Wat zal de naaste tijd brengen? (‘s-Gravenhage, 1919).
Het renteprobleem en de leer der financiën (Leiden, 1921).
Vele artikelen in De economist en Economisch-statistische berichten.

Bronnen en literatuur
RAD, Burgerlijke stand en bevolking van Dordrecht, toegang 256.
Dordrechtsche Courant, 11 mei 1933.
P.J. Oud, Honderd jaren. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840-1940 (Amsterdam 1978).
https://www.parlement.com/id/vg09ll1agmvk/a_anton_van_gijn
http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn2/gijn

Teun de Bruijn (augustus 2020)

 

Sluit het Verborgen Museum