Andries Cornelisz de Witt

16-06-1573 (Dordrecht)  -  26-11-1637 (Den Haag)

Het familiewapen De Witt, in groen een springende haas, achtervolgd door een springende hazewind en beneden een springende brak, alles van zilver is te vinden op het orgel van de Grote Kerk.

Geboren te Dordrecht op 16 juni 1573, overleden in Den Haag op 26 november 1637. Oudste zoon van Cornelis Fransz de Witt (1545-1622), regent en meermalen burgemeester van Dordrecht en diens eerste vrouw Johanna Heymans (1547-1602). Oudere broer van Jacob de Witt en oom van Johan en Cornelis de Witt. Huwelijk met Elizabeth van den Honert (1580? -1653) op 24 mei 1604 te Dordrecht. Uit dit huwelijk werden tussen 1605 en 1617 tien kinderen geboren, waarvan alleen Johanna (1608-1662) en Thomas (1613-1642) getrouwd zijn geweest. Thomas was kapitein in het Staatse leger.

Andries de Witt stamt uit een vooraanstaand regentengeslacht dat sinds de veertiende eeuw bestuurders leverde. Hij was lid van het houtkopersgilde, regent, advocaat, raadsheer, lid van het college van Veertigen, secretaris en pensionaris van Dordrecht en vervangend landsadvocaat na de gevangenneming van Johan Oldenbarnevelt (1574-1619). Andries de Witt heeft deze laatste functie tot de benoeming van Anthony Duyck in 1621 vervuld. In religieus opzicht stond hij aan de zijde der contraremonstranten.

Zijn opvoeding was zoals bij veel regentenkinderen gericht op godsvrucht, intellectuele beschaving, onverstoorbaarheid en berusting. Na het huisonderwijs werd hij ingeschreven aan de Latijnse school, sinds 1579 gevestigd in het voormalige Clarissenklooster te Dordrecht aan de Nieuwstraat/hoek Augustijnenkamp onder het rectoraat van Nansius (1591-1592) en Marcellus (1592-1600). Na de Latijnse school begon hij aan zijn grand tour van vier jaar door Duitsland, Frankrijk, Zwitserland en Engeland. Waarschijnlijk studeerde hij tijdens deze reis rechten al is onbekend waar. Bij terugkeer schreef hij zich op 2 mei 1601 in als student rechten aan de Leidse Universiteit om te promoveren bij de bekende hoogleraar Petrus Pauw (1564-1617). Op 15 november 1602 werd hij geadmitteerd als advocaat aan het Hof van Holland en vestigde hij zich in Dordrecht waar hij vele ambten bekleedde. Zo werd hij in 1603 lid van het college der Veertigen, een college dat oorspronkelijk het matigen van partijtegenstellingen in de stad ten doel had. Op 24 mei 1604 huwde hij te Dordrecht met Elizabeth van den Honert (1580? -1653). Zijn benoeming tot secretaris van de weeskamer volgde in 1606. In 1618 werd hij benoemd tot secretaris en pensionaris van Dordrecht.

In de laatste jaren van het Twaalfjarig bestand (1609-1621) werden de politieke en godsdienstige tegenstellingen in de Republiek scherper. Enerzijds liep het conflict tussen stadhouder prins Maurits (1567-1625) en landsadvocaat Johan Oldenbarnevelt hoog op en anderzijds kwamen remonstranten en contraremonstranten steeds scherper tegenover elkaar te staan. Na de gevangenneming van Oldenbarnevelt op 29 augustus 1618 en nadat de post enige tijd vacant was gebleven nam Andries de Witt het ambt van landsadvocaat waar tot 22 januari 1621. Het was gebruik dat bij ziekte of afwezigheid van de raadpensionaris deze werd vervangen door de pensionaris van Dordrecht. Zo zou Johan de Witt, pensionaris van Dordrecht tussen 1650 en 1653 enkele malen de zieke Adriaen Pauw (1585-1653) vervangen.

Andries lijkt zich op de vlakte gehouden te hebben met betrekking tot zijn politieke en religieuze overtuiging, maar uit het feit dat hem dit ambt werd toevertrouwd, blijkt zijn positie ten opzichte van stadhouder Maurits en van het religieuze conflict tussen remonstranten en contraremonstranten. Na de krachtige figuur van Oldenbarnevelt had Maurits behoefte aan een volgzame medestander. Andries had betrekkelijk weinig ervaring en was evenmin zeer ambitieus of buitengewoon begaafd. Hij was een ‘tussenpaus’. Mede wellicht daardoor zijn er nauwelijks documenten van betekenis uit de periode van zijn ambtsbediening bekend. De bekendste zaak uit zijn ambtsperiode betreft een geheim verbaal van zijn hand over de pogingen van Maurits een vijftal medestanders te laten benoemen in de Ridderschap waarvan Andries q.q. de pensionaris was. De stemmen staakten echter. Maurits slaagde er wel in twee schoonzoons van Oldenbarnevelt uit de ridderschap te verwijderen. Vervolgens wilde Maurits twee niet-Hollandse edelen, de heren Van Marquette en Van Sommelsdijk, benoemen in de Hollandse Ridderschap. De stemmen staakten opnieuw. Maurits kreeg zijn zin door te dreigen nog meer aanhangers van Oldenbarnevelt te verwijderen. Dit door Andries geschreven verbaal kwam eerst op tafel in 1676 toen er problemen ontstonden over het recht van Hans Willem Bentinck, een Geldersman en vriend van stadhouder prins Willem III, om toe te treden tot de Hollandse Ridderschap toen hij de Hollandse heerlijkheid Rhoon had gekocht. Dit document werd in 1690, vijfenzestig jaar na de dood van Maurits, alsnog gedrukt en uitgegeven door de Dordtse boekdrukker en uitgever Jan Gerritsz. De achtergrond van deze postume publicatie is onbekend.

Voor de definitieve opvolging van Oldenbarnevelt waren er in 1621 drie kandidaten: Anthony Duyck (1560?-1629), Reinier Pauw (1564-1636) en Andries de Witt. De keuze viel op Anthony Duyck. Per 9 februari 1621 was de instructie – dat wil zeggen de beschrijving van de taken en bevoegdheden- voor de landsadvocaat (vanaf nu raadpensionaris genoemd) aangepast. Deze kreeg aanzienlijk minder bevoegdheden en het betrof geen benoeming meer voor het leven maar voor vijf jaar. Na de ‘overwinning’ van de contraremonstranten op de Dordtse Synode en na enkele wetsverzettingen, berustte het leiderschap van de Republiek nu vrijwel geheel bij de stadhouder, tevens kapitein-generaal van het leger. Alles bijeen zou men kunnen spreken van een staatsgreep van Maurits en zijn aanhang. Tussen 1621 en zijn overlijden in 1637 werd Andries zes maal als politiek commissaris of waarnemer naar de (kerkelijke) provinciale synoden van Zuid-Holland afgevaardigd. Nog voor de beëindiging van zijn vervangend raadpensionarisschap werd hij op 20 december 1620 benoemd tot raadsheer aan het Hof van Holland, Zeeland en West-Friesland welke functie hij tot zijn overlijden in 1637 zou uitoefenen.

Bronnen en literatuur en bronnen
Van der Aa 20, p. 361.
NNBW 3, p. 147-148 (Japikse).
Andries de Witt, Verbaal gehouden by den heer Andries de With, raadpensionaris van Dordreght, omtrent het geene voorgevallen is in de ridderschap in het beschryven van den heeren Van Marquette en Van Sommelsdyk, op den 17 jan. 1619 (Dordrecht 1690).
Matthijs Balen, Beschryvinge der stad Dordrecht (Dordrecht 1677) p. 1320-1321.
Robert Fruin, Geschiedenis der staatsinstellingen van Nederland tot de val van de Republiek (Den Haag 1922).
Eric Palmen, De politieke elite, in: Willem Frijhoff e.a., Geschiedenis van Dordrecht 1572-1813 (Hilversum 1998).
Willem Frijhoff en Marijke Spies, 1650. Bevochten eendracht (Den Haag 1999).
Repertorium van ambtdragers en ambtenaren 1428-1861.
Genealogie De Witt:  https://www.genealogieonline.nl/genealogie-de-witt/.

Roel Leentvaar (januari 2013)

Sluit het Verborgen Museum