Andreas Colvius

1594 (Dordrecht)  -  01-07-1671 (Dordrecht)

Portret van Andreas Colvius door Jacob Gerritsz Cuyp, in 1646 door Salomon Savery gegraveerd met een Latijns vers van Claude Saumaise (Regionaal Archief Dordrecht 551_10874).

Andries Kolff (of Colff, verlatijnst als Andreas Colvius) werd in (april?) 1594 in Dordrecht geboren en daar op 1 juli 1671 begraven. Hij was een zoon van Nicolaas Andriesz Heymans gezegd Kolff (naar diens moeder Alidt Kolff), uit een Dordtse regentenfamilie, en Maria Hendricksdr van Slingelandt. Andries trouwde te Dordrecht (ondertrouw 3 maart) op 19 maart 1630 met Anna van der Mijle, geboren te Vlissingen circa 1598, overleden te Dordrecht op 19 maart 1639. Zij was een dochter van Abraham van der Mijle (1563-1637) en van Anna van Duymen; Abraham was predikant te Vlissingen en vervolgens te Papendrecht, maar hij werd in beide plaatsen afgezet als remonstrant, respectievelijk in 1609 en 1619. Andreas en Anna kregen vier kinderen: Catharina (gedoopt Dordrecht, 1 december 1630, jong overleden), Catharina (gedoopt Dordrecht, 1 juli 1632, vermoedelijk ook jong overleden), Nicolaes (gedoopt Dordrecht, 1 februari 1634; overleden te Amsterdam, 17 november, begraven in de Waalse Kerk aldaar, 23 november 1717) en Agneta (gedoopt Dordrecht, 4 mei 1637; begraven Dordrecht, 27 juli 1672).

Andreas Colvius was gereformeerd predikant, eerst in het gevolg van de ambassadeur van de Republiek in Venetië, vanaf 1629 in de Waalse gemeente te Dordrecht. Hij nam actief deel aan de grote debatten van zijn tijd, ook in Dordrecht zelf, waarbij hij als theoloog een gematigd standpunt innam en zich tegen alle extremisme verzette. Hoewel hij maar weinig zelfstandig werk heeft gepubliceerd, gold hij als een van de geleerdste mannen van zijn tijd, met name op het gebied van de natuurwetenschappen. Hij bezat een groot kabinet van naturalia en onderhield een uitgebreide briefwisseling met alle geleerden in binnen- en buitenland die in de wetenschap meetelden.

Andreas Colvius werd op 4 september 1612 aan de Leidse academie ingeschreven in de theologie en voltooide die studie in 1618 aan de academie van Genève. In 1619 werd hij door de classis Zuid-Holland aangenomen als proponent, waarna hij in 1619-1620 als predikant te Rijsoord & Strevelshoek stond. Van 1620 tot 1627 was hij ambassadepredikant te Venetië onder de ambassadeurs François van Aerssen van Sommelsdijck en de Dordtse schepen Johan Berck (1565-1627); hij schreef een uitvoerig (ongepubliceerd) verslag van die reis. In Venetië maakte hij kennis met de geschriften van geleerden als Galileo Galilei; diens handschrift De flusso e reflusso del mare (Over de eb en vloed van de zee) bracht hij mee terug naar de Republiek en leende hij uit aan Isaac Beeckman (1588-1637) en Christiaen Huygens (1629-1695).

In het bijzonder sloot hij in Venetië vriendschap met de katholieke monnik en historieschrijver Fra Paolo Sarpi (1552-1623), wiens kritische geschiedenis van de Venetiaanse Inquisitie (Discorso dell’origine, forma, leggi ed uso dell’ Uffizio dell’ Inquisitione nella città e dominio di Venetia, 1638) hij uit het Italiaans in het Latijn vertaalde en in 1651 in Rotterdam liet uitgeven. Hij voegde daar de anonieme tekst aan toe van een naar het protestantisme neigende geloofsbelijdenis die aan Sarpi zelf wordt toegeschreven (Confessio fidei, quae fundamentum est verae religionis). Colvius bezat ook een afschrift van Sarpi’s onvoltooide boek over de Geheimen van het pausdom (Selva arcana papatus).

In juni 1627 met Berck naar Dordrecht teruggekeerd, was hij op 18 augustus van dat jaar aanwezig bij diens begrafenis in de Grote Kerk. De kerkenraad van de Waalse gemeente te Dordrecht beriep hem op 22 augustus 1628 als predikant, als opvolger van Daniel de la Vigne, maar door onenigheid over die benoeming werd hij pas op 20 mei 1629 bevestigd. In de decennia daarna was hij een actief medewerker van de Waalse gemeente. Hij werd viermaal tot voorzitter van de landelijke Waalse synode gekozen. In 1648 werd hij benoemd tot curator en bibliothecaris van de Dordtse Latijnse school. In 1666 ging hij met emeritaat.

Colvius gold als een van de geleerdste mannen van zijn tijd. Door zijn contacten en werk in Italië werd hij een bekwaam natuuronderzoeker, in het bijzonder in de sterrenkunde en de natuurlijke historie. Ook schreef hij gedichten in het Latijn, het Frans en het Italiaans. Hij stond bekend als een voorkomend man en was een liberale geest die zich vanuit zijn wetenschappelijke instelling tegen alle religieuze scherpslijperij verzette. In de ‘hairige oorlog’, het publiek debat uit de vroege jaren 1640 over de vraag of lang haar en een pruik voor een christenman geoorloofd waren, verzette hij zich tegen de uitgesproken negatieve houding van de rechtzinnige predikanten, met name van zijn Dordtse collega Jacobus Borstius (1612-1680). Hij koos de kant van de gematigde intellectuelen Claude Saumaise (Salmasius, 1588-1653), de vooraanstaande Leidse onderzoekshoogleraar van Franse herkomst met wie hij bevriend was, en de Leidse theoloog Johannes Polyander van Kerckhoven (1568-1646). Saumaise droeg aan Colvius zijn verdediging van het lange haar en de vrijheid van de christenmens op in zijn 747 pagina’s tellende traktaat Epistola ad Andream Colvium super cap. XI. primae ad Corinth. Epist. de caesarie virorum et mulierum coma (Leiden: Elzevier, 1644); de Nederlandse vertaling door J. Michaelius werd een jaar later te Dordrecht gedrukt onder de titel Brief aen A. Colvium, over het 11 Cap. van den 1. brief tot de Corint, belangende het langh hair der mannen, ende de lokken der vrouwen.

Na zijn benoeming te Dordrecht sloot Colvius vriendschap met de rector van de Latijnse school Isaac Beeckman, die een befaamd natuuronderzoeker was en die hem herhaaldelijk noemt in zijn Journal. Via Beeckman kwam hij in contact met Descartes van wie hij later ook manuscripten in bezit had. In 1643 probeerde hij te bemiddelen in de heftige pennenstrijd tussen Descartes en de rechtzinnige Utrechtse theoloog Gisbertus Voetius. Zelf publiceerde hij geen wetenschappelijk werk, maar op grond van zijn natuuronderzoek correspondeerde hij uitvoerig met de bekendste mannen van zijn tijd, zoals zijn stadgenoot Johan van Beverwijck (1594-1647), prins Frederik Hendrik (1584-1647) en de diplomaat Claude de Mesmes, comte d’Avaux (1595-1650); daarnaast met vooraanstaande geleerden als René Descartes (1596-1650), Moïse Amyraut (1596-1664), Constantijn Huygens (1596-1687) en Christiaen Huygens (1629-1695), Gerardus Johannes Vossius (1577-1649) en Isaac Vossius (1618-1689), Daniël Heinsius (1580-1655), Caspar Barlaeus (1584-1648), Samuel Maresius (1599-1673), Cornelis Booth (1605-1678), Isaac Gruterus (1610-1680), Joannes Fridericus Gronovius (1611-1671), Adrianus Heereboord (1614-1661), Samuel Sorbière (1615-1670), en de femmes savantes Anna Maria van Schurman (1607-1678) en prinses Elisabeth van Bohemen (1618-1680).

Op 30 december 1670 maakte hij voor notaris Johannes Melanen zijn testament op. Aan zijn zoon Nicolaes, Waals predikant te Amsterdam, legateerde hij al zijn manuscripten en een bedrag van 600 gulden, aan zijn dochter Agneta zijn huis in de Nieuwstraat te Dordrecht; de Waalse armen te Dordrecht kregen 100 gulden, evenals zijn dienstmaagd Lydia Huijsers. Hij bezat een grote collectie boeken, manuscripten en brieven van andere geleerden, alsmede een verzameling van naturalia, curiosa, mineralen, insecten, portretten en medailles, die niet bewaard is gebleven. Wel redigeerde hij in 1655 een gedrukte catalogus van deze collectie: Catalogus Musaei Andreae Colvii, met het doel haar te verkopen. Zijn bibliotheek werd op 7 oktober 1671, na zijn dood, verkocht; de veilingcatalogus is gedrukt als Catalogus rarissimorum ac imprimis insignium librorum in quâvis facultate, materiâ et linguâ instructissimæ bibliothecæ reverendi, clarissimi, doctissimique viri D. Andreæ Colvii (Dordrecht: Goris, 1671) [toegankelijk op microfiche].

Zijn zoon Nicolaes (1634-1717) studeerde in 1649 te Leiden en disputeerde in 1652 in de theologie te Utrecht onder Gisbertus Voetius. Op 13 juni 1655 werd hij als Waals predikant te Dordrecht bevestigd, waar hij een jaar lang naast zijn vader stond. Vanaf 1656 was hij tot zijn overlijden een gevierd Waals predikant te Amsterdam. Net als zijn vader voerde hij een uitgebreide correspondentie met vele geleerden in binnen- en buitenland, maar hij publiceerde evenmin zelfstandig wetenschappelijk werk. In 1706 gaf hij de verzamelde reglementen van de Waalse synode uit. Hij huwde te Amsterdam tweemaal: op 20 maart 1657 met Catharina Marijn (begraven 19 mei 1665) en op 22 maart 1668 met Cornelia de la Fontaine (begraven 14 december 1728). Uit die twee huwelijken kreeg hij in totaal twaalf kinderen.

Andreas’ dochter Agneta Colvius (1637-1672) werd door de Dordtse dichteres Margaretha van Godewijck (1627-1677) geprezen om haar bekwaamheid in het handwerken en de vrije kunsten, in het bijzonder haar dichtkunst, maar er zijn slechts weinig gedichten van haar bewaard gebleven. Op 16 juli 1656 ging zij te Dordrecht in ondertrouw met ds. Jacobus Daniëlsz Rolandus (Buiksloot, 7 oktober 1632 – Dordrecht, 16/17 juni 1686), die na zijn studie te Leiden in 1654 benoemd was tot predikant te Rijsoord en vanaf Pinksteren 1662 te Dordrecht stond. Hij woonde daar in het huis in de Nieuwstraat dat Agneta van haar vader erfde. Na Agneta’s dood hertrouwde hij te Dordrecht in april 1675 met Everdina van Wesel (1652-1708). Hij was een felle contraremonstrant . Uit zijn huwelijk met Agneta kreeg hij elf kinderen, uit zijn tweede huwelijk nog zeven; de meesten overleden jong.

Andreas’ broer Henricus Colvius werd circa 1600 geboren, vermoedelijk ook in Dordrecht; in 1626 werd hij Nederduits gereformeerd predikant te Ridderkerk en in 1642 te Zwijndrecht, waar hij 6 oktober 1652 overleed. Ook hij correspondeerde met zijn broer Andreas. Als predikant van Zwijndrecht werd Henricus in 1653-1655 opgevolgd door zijn zoon Diederik (of Theodorus, geboren te Ridderkerk, 28 juli 1630); na enkele andere plaatsen werd deze, komend van Gouda, tenslotte in 1680 tot Nederduits gereformeerd predikant te Dordrecht benoemd, waar hij 23 juni 1687 overleed.

Geschriften
Ongepubliceerd reisverslag van Colvius: Cort verhael van de reijse van mijn Ed. Heere mijn heere Johan Berck ridder raetsheere in den Hoogen Rade ende eerste ambassadeur ordinaris voor de Hoogmogende Heeren mijn heeren de Staten Generael van de Vereenichde Nederlanden bij de deurlugtige Republique van Venetia [vanaf 29 september 1622] (Nationaal Archief, 1e Afd., Collectie Aanwinsten, Aanwinsten 1891, nr 20c), 100 p.

Hij verzorgde de Latijnse vertaling van P. Paulus Venetus [=Paolo Sarpi], Historia inquisitionis, cui adjuncta est Confessio fidei quam ex Italicâ Linguâ Latinam fecit Andreas Colvius (Rotterdam: Arnoldus Leers, 1651). Daarnaast liet hij de Nederlandse vertaling ervan uitgeven onder de titel Historie vande Inquisitie, ende in’t bysonder hoe de selve inhet gebiedt van Venetien onderhouden wordt (Rotterdam: Gysbert van Zyll & Dirck van Ackersdyck, 1651), waarin ook de Geloofsbelydenis van P. Sarpius.

Wetenschappelijke bijdragen over brandende kwesties van zijn hand zijn o.a. opgenomen in:
Johan van Beverwyck, Epistolica quæstio de vitæ termino, fatali, an mobili? Cum doctorum responsis (Dordrecht: I. Maire, 1634). [Of de dood op een vast tijdstip komt].
De statu et religione propria Papatus : adversus Cornelium Jansenium episcopum Iprensem (Leiden: Christianus Hegerus, 1638). [Tegen het pausdom].
Nobilissimae virginis Annae Mariae a Schurman dissertatio de ingenii muliebris ad doctrinam, & meliores litteras aptitudine : accedunt quaedam epistolae ejusdem argumenti (Leiden : Elzevier, 1641). [Over het intellectueel vermogen van de vrouw].
Antonius Hulsius, Authentia absoluta S. Textus Hebræi : vindicata contra criminationes clarissimi viri Isaaci Vossii, in libro recens edito de translatione LXX. Interpretum (Rotterdam : Reinier Leers, 1662). [Over de echtheid van Bijbelboeken].

Hij schreef gedichten op de vrouwelijke geleerde Anna Maria van Schurman en andere tijdgenoten, zoals zijn stadgenoot Cornelis de Witt en het jong gestorven kind Johannes Vivienus.

In een groot aantal bibliotheken in binnen- en buitenland worden brieven van zijn hand bewaard, in het bijzonder in de Koninklijke Bibliotheek (Den Haag), de Universiteitsbibliotheken te Leiden (BPL 293B, PAP 2, PAP 15 en HUG 45), Utrecht en Amsterdam, de British Library te Londen, en het Regionaal Archief Dordrecht (toegangsnr. 150, Handschriften, inv. nr. 1852). Ook zijn brieven van hem gepubliceerd in diverse brievencollecties van tijdgenoten, o.a. in die van Descartes, en van Constantijn en Christiaen Huygens. Er bestaat nog geen systematische inventaris van Colvius’ correspondentie.

Zijn testament: Regionaal Archief Dordrecht, notarieel archief, inv. nr. 183, f. 161, akte nr. 114.

Literatuur
Balen, I, 225 (portret t/o 224); II, p. 1088, 1145.
Van der Aa, III (Haarlem 1858), p. 636-637.
NNBW, I (Leiden 1911), p. 627-629.
Biographisch woordenboek van protestantsche godgeleerden in Nederland, II (’s-Gravenhage 1908-1918), p. 182-184.
Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, II (Kampen 1983), p. 134-135.
G.D.J. Schotel, Kerkelijk Dordrecht, I (Utrecht 1841), p. 158, 268, 320-323.
Georges Monchamp, Isaac Beeckman et Descartes : à propos d’ une lettre inédite de Descartes à Colvius [Bulletin de l’Académie Royale de Belgique, 29 (1895), 135 sq] (Brussel 1895).
C.L. Thijssen-Schoute, Een correspondent van Descartes: Andreas Colvius, in: Nederlands archief voor kerkgeschiedenis, 38 (1951/52), p. 224-248.
C.L. Thijssen-Schoute, Uit de republiek der letteren: elf studiën op het gebied der ideeëngeschiedenis van de Gouden Eeuw (’s-Gravenhage 1967), p. 67-89.
G. de Vries, Zeventiende-eeuwse haarkloverijen, in: Holland. Historisch tijdschrift, 5: 4 (1973), p. 165-180.
G.H.M. Posthumus Meyjes, Geschiedenis van het Waalse College te Leiden, 1606-1699 (Leiden 1975), p. 74, 181.
Henri Méchoulan, Menasseh ben Israël au centre des rapports judéo-chrétiens en Hollande au XVII siècle dans une lettre inédite d’Isaac Coymans à André Colvius, in : Studia Rosenthaliana, 16:1 (1982), p. 21-24.
Vittorio Frajese, La selva arcana papatus di proprietà di Andres Colvius: per la storia della fortuna di Paolo Sarpi, in: Dimensioni e problemi della ricerca storica, (1992), p. 137-160.
Th. Verbeek, e.a, The correspondence of René Descartes, 1643 (Utrecht 2003), p. 255-257.
Eric Jorink & Peter Mason, Reading the book of nature in the Dutch Golden Age, 1575-1715 (Leiden 2010).

Over zijn zoon Nicolaes:
NNBW, I, p. 629.

Over zijn dochter Agneta:
NNBW I, p. 627.
Craig Harline, Jacobs vlucht. Een familiesaga uit de Gouden Eeuw (Nijmegen: Vantilt, 2016) [Colvius-Rolandus, p. 288, 325-326, 330].
http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/Colvius

Willem Frijhoff (november 2016)

Sluit het Verborgen Museum