Albertus Johannes Verbrugh

19-07-1916 (Den Haag)  -  05-02-2003 (Dordrecht)

Albertus (Bart) Johannes Verbrugh werd geboren in Den Haag op 19 juli 1916 en overleed te Dordrecht op 5 februari 2003. Hij was het enig kind van Bernard Johannes Verbrugh (Muntok, Nederlands- Indië, 23 mei 1871- Den Haag, 13 oktober 1945), kolonel der militaire administratie en van Catharina van Waarde (Amsterdam 8 april 1883- Den Haag 27 februari 1927). Hij trouwde in Den Haag op 17 november 1939 met zijn jeugdliefde Jeanette (Netty) Cornelia Schell (Den Haag, 27 oktober 1915- Dordrecht 1 februari 1986). Uit dit huwelijk twee zoons: Aart (1940) en Erik (1947). Tweede huwelijk op 3 april 1987 in Rotterdam-Hillegersberg met de weduwe van zijn vriend Willem van der Ziel, Anneke van Helden (Brunssum, 6 juni 1926).

Bart Verbrugh was scheikundige, docent, politicus en publicist. Hij was geruime tijd werkzaam in toenmalig Nederlands-Indië, waar hij tijdens de Japanse bezetting werd geïnterneerd. Na zijn repatriëring was hij docent scheikunde en atoomfysica. Verbrugh werd gekozen tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) en volgde later Pieter Jongeling (1909- 1985) op als fractievoorzitter van deze partij. Verbrugh was zijn leven lang actief in talloze bestuurlijke en politieke organisaties en commissies. Hij droomde van een ‘rechtse doorbraak’ naar een brede nationaal-christelijke beweging. Verbrugh werd beschouwd als de partijtheoreticus van het GPV en was in ons land in de zestiger jaren de apologeet bij uitstek van de Zuid- Afrikaanse apartheidspolitiek.

Bart Verbrugh groeide op in Den Haag in een niet-godsdienstig gezin. ‘Kerklopen, Bijbellezen en bidden’ achtte vader Verbrugh dwaasheid. Wel werd er uit familieloyaliteit gestemd op neef H.W. Tilanus (1884-1966) van de Christelijk Historische Unie (CHU). Hij bezocht de Nutsschool voor lager onderwijs. Na het diploma HBS-B te hebben behaald, studeerde hij Fysische Scheikunde aan de Rijksuniversiteit Leiden en voltooide zijn studie op 1 december 1937. Op 7 juli 1939 promoveerde hij aan dezelfde universiteit op het proefschrift: Uitdovingsgrenzen van stationaire vlammen en explosiegrenzen.

Uit interesse bezocht Verbrugh als student kerkdiensten van verschillende kerkgenootschappen. Hij voelde zich thuis bij de Gereformeerde kerken in Nederland. Hij volgde catechisatie, liet zich dopen en deed belijdenis (1936). Door middel van de Acte van Vrijmaking en Wederkeer van 11 augustus 1944 scheidde zich van die Gereformeerde kerken een groep af onder leiding van hoogleraar en predikant Klaas Schilder (1890-1952), vooral vanwege het synodale besluit uitspraken van de synode bindend te verklaren. Bij deze ‘vrijmaking’ zou Verbrugh zich na zorgvuldig onderzoek naar deze kwestie in 1946 aansluiten. Omdat de kerken van de Vrijmaking van mening waren dat zij het gedachtengoed en de kerkorde van de Reformatie op de enig juiste wijze voortzetten, bleven zij de naam ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’ voeren als officiële naam, maar voegden daaraan toe: ‘vrijgemaakt’. Het GPV, een afsplitsing van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP), werd het politieke tehuis van de vrijgemaakten, het Nederlands Dagblad hun spreekbuis. In zijn verdere leven stond voor Verbrugh de vraag centraal ‘hoe de eer van de God van de Bijbel een plaats kon krijgen in het publieke leven’. In de Grondwet zou naar zijn opvatting moeten staan dat de overheid de dienaresse Gods is en dat die overheid aan God de eer geeft. Hij maakte onderscheid tussen ideeën waaraan een Bijbelse argumentatie ten grondslag lag en de menselijke tradities van de gereformeerde levensstijl. Dansen was voor hem geen zonde.

Vanaf 1940 was Verbrugh in Nederlands- Indië werkzaam op de afdeling Research van het kleine proefstation van de Rubberstichting in Soerabaja en later op het grotere proefstation op West-Java (Buitenzorg). Hij werd er lid van de Christelijk Staatkundige Partij (CSP). Voor zijn vertrek naar Indië was hij nog korte tijd docent scheikunde aan de Hogere Textielschool in Enschede. Op 7 december 1941 viel Japan Pearl Harbor (VS) aan. Na de Nederlandse oorlogsverklaring aan Japan op 8 december 1941 werd Verbrugh gemobiliseerd als landstormsoldaat. Op 11 januari 1942 viel het Japanse leger binnen. Verbrugh werd na de Nederlandse capitulatie op 9 maart 1942 door de Japanners krijgsgevangen gemaakt en geïnterneerd in een doorgangskamp in het noorden van Tjimahi op West- Java. Verbrugh en vele van zijn collega’s werden vervolgens door de Japanners teruggeplaatst naar het proefstation van de Rubberstichting – vanzelfsprekend onder scherp Japans toezicht – waar zij tot 20 juli 1945 verbleven zonder veel onderzoek te kunnen doen door gebrek aan middelen en apparatuur. Daarna werden ze verdeeld over krijgsgevangenkampen buiten Buitenzorg. Na de Japanse capitulatie op 2 september 1945 vond hij zijn vrouw Netty en zoon Aart terug in het Tjidengkamp. Verbrugh was formeel nog steeds in dienst als landstormsoldaat en werd als lid van de MP (Militaire Politie) in het Tjidengkamp geplaatst. Op 30 november 1945 kreeg hij groot verlof en werd gerepatrieerd. Hij kwam op 16 februari 1946 met vrouw en kind aan in IJmuiden.

In de naoorlogse periode toonde Verbrugh toenemende belangstelling voor confessionele politiek. In eerste instantie kwam hij uit bij de ARP, maar hij kwam al snel tot het oordeel dat de ARP geen geestelijke vernieuwing wenste, maar veeleer een restauratie van de toestand van voor de oorlog. De ‘vrijgemaakten’ richtten in 1948 het ‘Voorlopig Verband van Vrije Kiesverenigingen’ op. Eind jaren veertig sloten zich daar steeds meer kiesverenigingen bij aan. Vanaf 1950 was de breuk met de ARP definitief en kreeg het ‘Voorlopig Verband’ de naam Gereformeerd Politiek Verbond. Het GPV was aanvankelijk vooral een getuigenispartij en was minder geïnteresseerd in een groot electoraat. Pas na 1959 kwam een meer concrete politieke opstelling aan de orde. In 1966 schreef Verbrugh het eerste partijprogramma, het Program van richtlijnen. Het GPV was een homogene partij. Om lid te kunnen worden was het onderschrijven van de belijdenisgeschriften van de Reformatie een voorwaarde. De partij had enkele bijzondere ideeën en achtte het bijvoorbeeld noodzakelijk democratisch genomen besluiten terug te kunnen draaien als die in strijd werden geacht met de te formuleren christelijke grondwet en de ‘nationaal-christelijke identiteit’ van Nederland. Dat zou moeten gebeuren door een hooggerechtshof onder leiding van de koning wiens positie zou moeten worden versterkt.

In 1958 werd Hendrik Verwoerd (1901-1966) premier van Zuid-Afrika. Hij was de architect van de apartheid en voorstander van ‘blanke baasskap’. Verbrugh ontwikkelde toenemende belangstelling voor de Zuid-Afrikaanse politiek. Hij zag wel wat in de theorie van de ‘gescheiden ontwikkeling’ (de zogenaamde ‘grote apartheid’) en was vooral onder de indruk van het feit dat in Zuid-Afrika ‘vele teksten en gebeurtenissen in het teken stonden van de publieke erkenning van God en de betekenis van de Bijbel’.

Van 1947 tot 1971 was Verbrugh docent fysische scheikunde en atoomfysica aan de MTS (later de HTS) aan de Oranjelaan in Dordrecht, waar hij van 1958 tot 1966 ook het adjunct-directeurschap vervulde. Aanvankelijk woonde de familie in de Bankastraat, later aan de Oranjelaan. Naast en na zijn docentschap vervulde hij vele functies binnen en buiten het GPV. Zo was hij onder meer bestuurslid, algemeen secretaris en penningmeester van het GPV, voorzitter van de Groen van Prinsterer-Stichting en eindredacteur van Ons politeuma (later genaamd: Ons burgerschap), het nationaal-gereformeerd staatkundig tijdschrift ten dienste van het GPV en de Groen van Prinsterer-Stichting. Op 11 mei 1971 werd hij gekozen tot lid van de Tweede Kamer, een functie die hij tot 26 mei 1981 vervulde. Van 1977 tot 1981 was hij fractievoorzitter als opvolger van P. Jongeling. Daarnaast was hij lid van de Staatscommissie van advies inzake de Grondwet en de Kieswet (Staatscommissie Cals/Donner, 1967-1971). Met ds. H.G. Abma (1917-1992), fractievoorzitter van de Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) diende hij in 1979 het initiatiewetsvoorstel ‘Levensbescherming menselijke vrucht’ in; het werd het jaar daarop door de Tweede Kamer met grote meerderheid verworpen.

Vrijwel tegelijk met zijn vertrek uit de Tweede Kamer werd Verbrugh gepensioneerd. (1981). Hij ondernam reizen naar Zwitserland, Madeira, de Middellandse zee en Zuid-Afrika, maar bleef politiek actief en werd onder meer benoemd tot lid van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (1981-1986). Bij de voorbereidingen van de viering van het veertigjarig jubileum van het GPV in 1988 was hij actief betrokken. In 1992 kreeg hij het erelidmaatschap aangeboden. Ook bleef hij publiceren. In 2001 ging het GPV met de Reformatorisch Politieke Federatie (RPF) op in de ChristenUnie.

Vernoeming
A.J. Verbrughpad te Dordrecht (2012).

Varia
Officier in de Orde van Oranje- Nassau (1982).

Enkele publicaties
Jong zijn en oud worden. (autobiografie, Amsterdam 2002).
De Nederlandse levensstijl en taal in het verenigde Europa. (Barneveld 1991).
Universeel en antirevolutionair. (Groningen, 3 delen, 1980, 1983 en 1985).
J. Kamphuis, A.J. Verbrugh en J.P. de Vries, De waarde van het woord: Een historische lijn in 150 jaar christelijke journalistiek. (Groningen 1974).
De politieke partijen in Nederland. (Rotterdam, 3 delen, 1959, 1962 en 1963).

Literatuur
Parlement & Politiek (http://www.parlement.com/).
E.H. Klei, Klein maar krachtig, dat maakt ons uniek. Een geschiedenis van het GPV, 1948-2003. (Amsterdam 2011).
J.van der Jagt e.a. (red.), Politiek mozaïek. Opstellen aangeboden aan dr.  A.J. Verbrugh, na 52 jaar werken aan nationaal- gereformeerde politiek (Groen van Prinstererreeks nr. 69, Barneveld 1992).
J. van der Jagt, H. Timmermans en A.J. Verbrugh (red.), Gedenkboek GPV 1948-1988. (Amersfoort 1988).

Roel Leentvaar (februari 2017)

 

Sluit het Verborgen Museum