Adrianus Hendrikus Davidus (Aad) Wepster

11-10-1884 (Stellendam)  -  10-10-1964 (Dordrecht)

Aad Wepster tijdens een van zijn vele voordrachten (Regionaal Archief Dordrecht 552-325306).

Geboren 11 oktober 1884 te Stellendam, overleden 10 oktober 1964 te Dordrecht. Pionier van het zwakzinnigenonderwijs. Oudste kind van Bartholomeus Meindert Wepster (1859-1947), onderwijzer, later schoolhoofd in Hendrik-Ido-Ambacht, en van Elisabeth Alida Lancel (1859-1941). Gehuwd op 14 september 1911 met de uit Haarlem afkomstige Johanna Tonia van Eijkern (1891-1974). Drie kinderen: Nicolaas Hendrik Wepster (1913-1992), huisarts en verzekeringsarts; Elisabeth Alida Wepster (1918-2015); en Bartholomeus Meindert Wepster (1920-1992), hoogleraar theoretische organische chemie aan de Technische Universiteit Delft.

Aad Wepster had een scherp oog en compassie voor zijn kwetsbare medemens. Na het behalen van zijn onderwijzersakte klom hij in korte tijd op tot schoolhoofd in Dordrecht van een instelling voor Buitengewoon Lager Onderwijs (BLO), bestemd voor verstandelijk gehandicapten. Vanuit deze baan zette hij zich in voor zijn oud-leerlingen, door voor hen geschikte en aangepaste arbeid te vinden en ook te creëren, zodat ze zich in de maatschappij konden handhaven. Wepster was ook landelijk actief en stond mede aan de wieg van de sociale werkvoorzieningsbedrijven in Nederland.

Vanaf 1899 bezocht Aad Wepster de Haarlemse Rijkskweekschool, bijgenaamd De Bak, waar even eerder de toekomstige SDAP-politicus en schrijver Theo Thijssen (1879-1943) hoofdredacteur was geweest van het in 1897 opgerichte leerlingentijdschrift Baknieuws, dat uitgroeide tot een kritisch, landelijk kwekelingenblad. In 1903 behaalde Wepster met veel lof zijn onderwijzersakte. Door de Leerplichtwet van 1900/1901, die voorschreef schreef dat alle kinderen tussen 6 en 12 jaar verplicht onderwijs moesten volgen, was het aan het begin van de twintigste eeuw geen probleem om als pas afgestudeerd onderwijzer aan de slag te komen. In 1904 werd Wepster benoemd tot onderwijzer aan de 5e Tusschenschool te Haarlem. Een tusschenschool was een school voor kinderen waarvan de ouders niet arm of bedeeld waren, maar ook niet rijk genoeg om het schoolgeld op particuliere burgerscholen te kunnen betalen. In 1906 en 1908 behaalde Wepster respectievelijk de akte van bekwaamheid voor hoofdonderwijzer en de akte Frans. In 1909 nam hij afscheid van de 5e Tusschenschool en kreeg hij in Haarlem een aanstelling op een BLO-school.

Tot in het laatste decennium van de negentiende eeuw werden kinderen met een verstandelijke handicap als ‘achterlijk’ of ‘zwakzinnig’ geclassificeerd. In het reguliere onderwijs konden ze niet of nauwelijks meekomen. Voor hun medeleerlingen en de onderwijzers waren verstandelijk gehandicapten dikwijls een hinderpaal, omdat ze de leerstof niet goed begrepen en nauwelijks konden meekomen met de rest van de klas. Vaak was dit een reden om hen van school te verwijderen. Na de invoering van de Leerplichtwet diende voor hen een oplossing te worden gezocht. Eerst werd er geëxperimenteerd met afzonderlijke klassen voor mentaal gehandicapten. Later kwamen er speciale BLO-scholen, waar deze kinderen onderwijs kregen dat was aangepast aan hun verstandelijke vermogens. Na twee jaar in Haarlem met verstandelijk gehandicapten te hebben gewerkt, werd Aad op 1 oktober 1911 benoemd tot hoofd van de nieuwe BLO-school aan de Hellingen te Dordrecht. Hier groeide hij uit tot een wegbereider van de zogenoemde nazorg BLO. Wepster ontpopte zich als een bekwaam BLO-schoolhoofd, zorgde voor adequate leermiddelen en stelde capabele onderwijskrachten aan. Via de Dordtse afdeling van de Centrale Vereeniging ter Behartiging der Maatschappelijke Belangen wist Wepster giften van de burgerij te krijgen waarmee hij schoolfeestjes en schoolreisjes financierde. Daarnaast behoorde de nazorg BLO tot zijn takenpakket: het vinden van geschikt werk voor oud-leerlingen.

De meeste leerlingen vonden na de BLO een baan en konden zich min of meer in de maatschappij handhaven, maar voor sommigen was het te ingewikkeld om een zelfstandig bestaan op te bouwen; een positie in een fabriek of een werkplaats was voor deze verstandelijk gehandicapten te veel gevraagd. In Arbeidstherapie in externaten (1928) verhaalde Wepster over een viertal oud-leerlingen voor wie een leven in een werkplaats of een fabriek te machtig was. Geplaagd en onbegrepen dwaalden zij in Dordrecht rond, aldus Wepster. Met enkele oud-leerlingen begon hij in 1912 in het handenarbeidlokaal van zijn BLO-school met een experiment: het vlechten van biezen matten. Het was een proef voor vier jaar, waarvoor het Dordtse gemeentebestuur kosteloos een ruimte beschikbaar stelde. Een belangrijke subsidie waarmee op 6 juli 1920 in de Nieuwstraat te Dordrecht het eerste externaat voor ‘psychisch-invaliden’ kon worden begonnen, was afkomstig van de Utrechtse Vereeniging Maatschappelijk Werk bij Zenuwlijders en Krankzinnigheid. In 1928 noteerde Wepster dat ‘behalve enkele idealisten’, bijna niemand had geloofd ‘aan de mogelijkheid diepstaande psychisch-invaliden op deze wijze te helpen’. Maar acht jaar na de opening van Wepsters werkinrichting werden in tal van andere gemeenten soortgelijke initiatieven ontwikkeld. Het doel van deze externaten was, zoals Wepster het formuleerde, ‘aan onmaatschappelijke psychisch-invaliden geregelden arbeid te verschaffen, waardoor het mogelijk wordt hen voor verder geestelijk verval te behoeden’.

In de Dordtse werkinrichting werden onder andere stoelen gemat, borstels en manden gemaakt, kokosmatten vervaardigd en netten gebreid. Er was een 45-urige werkweek en omdat de consument volgens Wepster geen rommel wilde kopen, werden aan de te vervaardigen producten ‘de hoogste eischen van soliditeit, afwerking en smaak’ gesteld. Naast deze economische eis – de werkinrichting moest in Wepsters ogen óók financieel iets opleveren – had hij tevens nagedacht over de eigenschappen waaraan een geschikte werkleider diende te voldoen: ‘Hij moet naast veel geduld, begrip hebben van de menschen, waarmede hij om gaat, en naast technische bekwaamheden, onderwijzende en opvoedersqualiteiten bezitten’. Medio jaren dertig liet Wepster een film maken over zijn Dordtse werkinrichting, Eenvoudigen van geest, waarmee hij door het land trok om zijn ideeën over nazorg en werk voor verstandelijk gehandicapten te verkondigen. Eind 1935 vertoonde Wepster de film in Leeuwarden. Het Nieuwsblad van Friesland (24-12-1935) berichtte over een indrukwekkende film, ‘die een kijkje in de inrichtingen voor debielen en imbecillen (geeft), op de Nazorg en in de Vereeniging Zwakzinnigenzorg’. De Dordtse werkinrichting en de ‘school voor imbecielen’, waar de film was opgenomen, betrok in 1937 een nieuw gebouw aan de Cornelis de Wittstraat 16 (tegenwoordig 32), dat vernoemd werd naar de inspecteur van het buitengewoon lager onderwijs, dr. A. van Voorthuijsen (1872-1952), die in maart van dat jaar zijn functie neerlegde. Samen met Van Voorthuijsen had Wepster spreekbeurten gegeven over nazorg BLO en de werkinrichtingen voor zwakzinnigen.

Op 1 december 1945 ging Wepster met pensioen. De BLO-school waarvan hij decennia lang hoofd was, werd omgedoopt tot A.H.D. Wepsterschool. Zijn pensionering betekende niet het einde van zijn werkzame bestaan. Na 1945 gaf hij privéles aan Dordtse gemeenteambtenaren die voor het diploma gemeenteadministratie studeerden. Als lid van de Dordtse Voogdijraad bezocht hij op de fiets probleemgezinnen en rapporteerde hierover. Hij was ook secretaris van de Dordtse vereniging Oranjedag en in 1948, bij het 50-jarig jubileum van Koningin Wilhelmina, hield hij een rede, waarin hij de waarde benadrukte van het koningshuis als factor van eenheid boven de verzuilde samenleving. Daarnaast was hij bestuurslid van het Departement Dordrecht van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen van 1925-1935 en voorzitter van 1940-1954. Wepster had daarnaast interesse voor geografie en topografie en hij was tevens een sportieve man: hij speelde hockey en korfbal en in de wintermaanden hield hij van schoonrijden op het ijs

Mede door Wepsters baanbrekende werk in vooroorlogs Nederland voor het verwerven van een maatschappelijke positie voor geestelijk gehandicapten ontstond er na 1945 een netwerk van moderne sociale werkvoorzieningsbedrijven. Het sociaal gedreven schoolhoofd Wepster verwoordde overigens in 1928 al de kracht en het belang van de samenwerking en eenheid onder de besturen en leiders der Werkinrichtingen. Op het Dordtse leerpark is in 2007 een plein naar hem genoemd met als onderschrift: ‘Pionier buitengewoon lager onderwijs’.

Bronnen en literatuur
A.H.D. Wepster, Arbeidstherapie in externaten (Amsterdam 1928).
A.H.D Wepster, Herdenkingsrede, uitgesproken op 31 augustus 1948 in de Grote Kerk te Dordrecht ter gelegenheid van het regeringsjubileum van H.M. Koningin Wilhelmina (Dordrecht 1948 – Comité Dordrecht tot viering van het regeringsjubileum).
Gemeente Dordrecht, Verslag van den toestand der gemeente Dordrecht over het jaar 1921 (Dordrecht 1922).
Nelleke Bakker, Jan Noordman & Marjoke Rietveld-van Wingerden, Vijf eeuwen opvoeden in Nederland. Idee en praktijk 1500-2000 (Assen 2006, tweede druk 2010).
Luc Brants, Leiding moeten zij hebben. Een geschiedenis van de sociaal pedagogische zorg voor mensen met een verstandelijke handicap in Nederland tussen 1900-1945 (Antwerpen/Apeldoorn 2004).
Dorien Graa, Zorgenkinderen op school. Geschiedenis van het speciaal onderwijs in Nederland, 1900-1950 (Leuven/Apeldoorn 1996).
T. Kingma, B. van Zijderveld e.a., Nederlandse vereniging voor sociaal pedagogische zorg. Jubileumboek ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan (‘s-Gravenhage 1984).

Jacques Dane (januari 2013)

Sluit het Verborgen Museum