Aan het werk!

Ieder jaar is oktober landelijk de Maand van de Geschiedenis. Het Regionaal Archief Dordrecht haakt hierop in met de Dag van de Geschiedenis. In 2021 was het thema ‘Aan het werk’.

De Canin-Bijbel uit 1571-1572.

Gedrukt in Dordrecht

In het midden van de vijftiende eeuw werd een van de belangrijkste uitvindingen aller tijden gedaan: het vervaardigen van drukwerk met behulp van losse letters. Vanaf dat moment was het mogelijk om geschriften die tot dan toe met de hand moesten worden op- en overgeschreven in grote aantallen te vermenigvuldigen. De uitvinding kwam vanuit Duitsland en Italië rond 1470 naar Nederland. Rond 1520 deed de Reformatie, de overgang van het rooms-katholieke naar het protestantse geloof, hier haar intrede. Hun leiders ontdekten de drukpers al snel als een krachtig communicatiemiddel en veel drukkers bekeerden zich tot het nieuwe geloof.

In Dordrecht is er tot 1572 geen enkele boekdrukker actief en ook de uitgevers en boekhandelaren zijn er op één hand te tellen. In juni 1572 koos de stad de zijde van de Opstand en kort daarop vestigde zich Jan Canin, afkomstig uit Gent, zich in Dordrecht. De bijbel voorzien van zijn drukkersmerk (de Leeuw van Juda) en de jaartallen 1571 en 1572 doch zonder zijn naam en drukkersadres wordt algemeen beschouwd als de eerste in Nederland gedrukte bijbel en het eerste te Dordrecht gedrukte boek. Toch is het nog altijd niet geheel zeker of hij zijn bijbel ook werkelijk in deze stad heeft gedrukt.

 

Canin vestigde zich in de Wijnstraat en werd de belangrijkste zestiende-eeuwse Dordtse drukker. Hij verzorgde ongeveer 45, meest godsdienstige, werken en nam daarmee ruim een derde van de totale productie in de 16e eeuw voor zijn rekening. Canin verzorgde daarnaast ook een deel van het drukwerk van de Staten van Holland en de stedelijke overheid. Hij overleed in 1594, maar enkele van zonen, kleinzonen en achterkleinzonen zouden tot aan het midden van de 17e eeuw in de Dordtse boekenbranche actief blijven.

Al in 1577 vestigde zich een tweede drukker, de Antwerpenaar Peter Verhaghen, zich in Dordrecht. Hij liet ongeveer 60 werken verschijnen, waaronder zeven bijbels en vier drukken van de kroniek van Holland, Zeeland en West-Friesland. Als eerste gebruikte hij de Dordtse stedenmaagd als drukkersmerk. Na 1580 volgde een groot aantal drukkers, uitgevers en boekverkopers, vooral afkomstig uit de Zuidelijke Nederlanden. De meesten waren vurige protestanten die er voor zorgden dat Dordrecht het geestelijk centrum werd van de orthodoxe richting van het Calvinisme.

 

In de eerste helft van de 17e eeuw treffen we liefst 58 boekdrukkers, uitgevers en boekverkopers in Dordrecht aan. Een scheiding tussen deze beroepen is moeilijk te maken. Wie boeken drukte, gaf ze vaak ook zelf uit en beschikte over een eigen boekbinderij en boekhandel om ze te verkopen. Vaak waren het eenmansbedrijfjes, al beschikte de drukker meestal wel over een aantal leerlingen die van hem het vak leerden. De zaak ging vaak van vader op zoon over en bleef soms generaties lang in dezelfde familie.

De Dordtse Synode die in 1618 en 1619 in de Kloveniersdoelen werd gehouden, zorgde voor een stroom aan publicaties over deze kerkvergadering. In de 17e eeuw vertoonde de boekenproductie een stijgende lijn, van 142 in het eerste kwart naar 290 in het derde kwart. Daarna is er een terugval te constateren. De boekdrukkers en –verkopers verenigden zich in deze periode wel in een vakvereniging, een gilde zonder politieke invloed die tot ongeveer 1750 zou blijven bestaan. Rond 1672 rolden tientallen pamfletten voor en tegen de gebroeders De Witt van de persen, maar de Dordtse drukkers namen hiervan slechts een beperkt deel voor hun rekening.

Titelblad van de acta van de Nationale Synode.

De bekendste drukkers in de tweede helft van de 17e eeuw waren naast vader en zoon Hendrik en Johannes van Esch Jacob en Hendrik Keur die het vak van hun stiefvader Jacob Braat leerden. Na diens overlijden namen ze het in de Breestraat gevestigde familiebedrijf over en werden beroemd door de vele voortreffelijke bijbeluitgaven. Praktisch alle Dordtse drukkers kozen na 1640 als drukkersmerk de Dordtse maagd met een schoot vol met boeken en de spreuk Virgo Dordracena, libros non liberos pariens (de Dordtse maagd boeken geen kinderen barende).

De teruggang die zich al in het laatste kwart van de 17e eeuw manifesteerde, zette zich in de eerste helft van de 18e eeuw voort. Er waren toen gemiddeld 13 drukkers en boekhandelaren in Dordrecht actief. Naast de familie Keur waren dat onder andere Hendrik Walpot en Johannes van Braam die de basis voor een familiebedrijf legde dat tot in het midden van de 19e eeuw zou blijven bestaan. In de tweede helft van de 18e eeuw nam het aantal drukkerijen weer toe, evenals de boekenproductie.

Heerenboekje uit 1678. De serie loopt tot 1794 en werd later door andere drukkers uitgegeven.

Een nieuwkomer aan het firmament was Abraham Blussé, naast boekverkoper ook uitgever, drukker en dichter. Hij startte zijn bedrijf op de Voorstraat. In 1771 werd de zaak door zijn zoon Pieter overgenomen. Het was een echt familiebedrijf want het ging later over naar zijn zonen Adolph en Pieter, die trouwde met de dochter van Pieter van Braam, waarna de firma Blussé & Van Braam tot stand kwam. Deze firma zou tot ver in de 20e eeuw blijven bestaan.

Toen rond 1775 de politieke strijd tussen de aanhangers van het Huis van Oranje-Nassau en de patriotten, die hun basis in de middenklasse hadden, in alle hevigheid losbarstte, zorgde dit voor een opleving van de boekenbranche. Naast de vele pamfletten en trekschuitpraatjes verschenen er de voorlopers van de moderne krant. In de 19e eeuw vond er geleidelijk een scheiding plaats tussen boekhandel en boekdrukkerij. De bekendste drukkers in deze eeuw waren Revers, de firma Blussé & Van Braam, Van Elk en de firma Morks. Een aantal bleef ook nog in de 20e eeuw actief, maar de eerder gemelde achteruitgang zette zich voort, zodat er na de Tweede Wereldoorlog geen echte belangrijke drukkerijen meer overbleven met uitzondering van de firma Reidel die zich op de wetenschappelijke markt had gestort. Maar ook deze heeft de stad al lang verlaten.

In de 16e eeuw verschenen er in Europa de eerste kranten met vooral internationaal en economisch nieuws. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Haarlem en Rotterdam, die in de 17e eeuw een eigen krant hadden, verscheen pas in 1782 het eerste in Dordrecht gedrukte nieuwsblad: De Post van de Merwede met zowel plaatselijk als landelijk patriottisch gekleurd nieuws. Het blad verscheen één keer in de drie weken. Op 8 december 1789 kwam in Dordrecht het eerste nummer van een echte courant op de markt: de Dordrechtsche Oprechte Hollandsche Historische Courant. Er zouden in totaal 17 nummers verschijnen. De verschijningsdagen waren op dinsdag, donderdag en zaterdag.

Pas na de komst van de Fransen kwam er in april 1795 een opvolger: de Bataafsche Historische Courant met als journalist de bekende patriot Gerrit Paape en onder de kreet ‘Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap’. Kort erna werd de titel veranderd in de Dordrechtsche Courant die vanaf 1797 door de firma Abraham Blussé & Zoon werd uitgegeven. Tien jaar later werd ze de stadscourant en werden er alle stedelijke publicaties gratis in geplaatst. Ze verscheen zelfs in twee talen, een Nederlandse en Franse editie, de Gazette de Dordrecht.

De Dordrechtsche Courant was lange tijd de enige in Dordrecht gedrukte krant. Pas vanaf 1 juli 1869 verscheen ze dagelijks, mede door de afschaffing van het dagbladzegel, een belasting op kranten van een bepaald formaat. Vanaf 1903 werd de krant gedrukt door de Dordrechtsche Drukkerij en Uitgeversmaatschappij in een pand aan de Grotekerksbuurt. In de jaren 30 werd ze overgenomen door de Nieuwe Rotterdamsche Courant. De krant bleef bijna gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog verschijnen. Op 23 maart 1945 verscheen het laatste nummer. Na de bevrijding kreeg de krant een voorlopig verschijningsverbod vanwege haar besmet karakter. Ze keerde echter niet meer terug en haar positie werd in 1946 overgenomen door een nieuwe krant, De Dordtenaar.

De krant uit 1789.

In de tweede helft van de 19e eeuw werden er pogingen ondernomen om ook andere plaatselijke kranten te laten verschijnen. Het Dordrechtsch Nieuwsblad, een plaatselijke uitgave van het Rotterdamsch Nieuwsblad was vanaf 1887 het meest succesvol. In de jaren 30 had ze bijna 13.000 abonnees. Zowel de Dordrechtsche Courant als het Dordrechtsch Nieuwsblad hadden een neutraal, liberaal karakter.

Aan het begin van de 20e eeuw zien we ook de verzuiling in de Dordtse dagbladwereld terug. In 1909 verscheen De Volksstem die het socialistische deel van de Dordtse bevolking van nieuws voorzag. Na de Tweede Wereldoorlog werd de krant voortgezet in Het Vrije Volk. In 1917 volgde de Nieuwe Dordtsche Courant, dat een rooms-katholieke signatuur had en in 1924 het Dordtsch Dagblad dat vooral voor de protestants-christelijke Dordtenaar bestemd was en ruim 10.000 abonnees aan zich wist te binden. Al deze kranten stopten hun edities aan het begin van de Tweede Wereldoorlog en keerden in 1945 terug. Maar door de ontzuiling in de jaren 60 verloren ze hun bestaansrecht en gingen op in landelijke kranten.

De eerste verschenen De Dordtenaar (april 1946).

De enige in Dordrecht uitgegeven krant is vanaf dat moment nog de neutrale De Dordtenaar die vanaf april 1946 verscheen als dochterblad van het Algemeen Dagblad. De krant richtte zich niet alleen op Dordrecht maar ook op de Zwijndrechtse, Hoekse en Alblasserwaard. Ze begon aan de Johan de Wittstraat. Later verhuisde de redactie naar de Stationsweg en in 1993 naar de Burgemeester de Raadtsingel. In 2005 werd de krant opgenomen in AD – De Dordtenaar en werd het plaatselijke en regionale nieuws gebundeld in een regiobijlage. Hiermee kwam er een einde aan ruim twee eeuwen van een dagelijkse Dordtse krant.

Quiz

Vraag 1
Op de vraag wat het verschil is tussen hout en een ambtenaar, antwoorden grapjassen wel eens “hout werkt…”. In 1885 werd er in Dordrecht een nieuwe ambtelijke functie gecreëerd. Welke?

  1. Lantaarnopsteker van gaslantaarns
  2. Controleur op de paardentram
  3. Gemeentearchivaris

Vraag 2
In de 19e eeuw groeit de behoefte aan beursgebouwen. In 1841 wordt de Wijnkoperskapel aan de Wijnstraat afgebroken en komt er een nieuwe beurs. Welke?

  1. Boterbeurs
  2. Effectenbeurs
  3. IJzerwaag of -Beurs

Vraag 3
Ook in Dordrecht is het crisis in de jaren 30. Met werkverschaffingsprojecten probeert men het tij te keren. Er wordt veel gebouwd en aangelegd,  bijvoorbeeld in 1935-1936.

  1. Wantijpark en -bad
  2. Badhuis aan de Bankastraat
  3. Zwembad De Viersprong

Vraag 4
Simon van Gijn, de naamgever van het museum aan de Nieuwe Haven, was een veelzijdig man. Maar welk beroep heeft hij nooit uitgeoefend?

  1. Advocaat
  2. Veilingmeester
  3. Bankier

Vraag 5
In 1820 wordt er een parapluwinkel geopend op de Voorstraat die bijna 200 jaar lang zal blijven bestaan. Van welke (van oorsprong Franse) familie was de winkel?

  1. Martinot
  2. Redelé
  3. Bouvy

Vraag 6
Vincent van Gogh verblijft in 1877 een aantal maanden in de stad. Welk beroep oefent hij in de periode uit?

  1. Predikant
  2. Molenaar
  3. Winkelbediende

Vraag 7
Niet alleen in de Middeleeuwen maar ook in de 20e eeuw wordt Dordrecht nog wel eens geteisterd door een stadsbrand. Bij welke bedrijf is het raak in maart 1982?

  1. Meubelwinkel Buytink (Voorstraat)
  2. Valvoline Oil (Wieldrechtseweg, 1973)
  3. EMF (Korte Parallelweg, 1950)

Vraag 8
De Lombardstraat in het Dordtse centrum is genoemd naar de uit Noord-Italië afkomstige ‘Lombarden’. De meeste Lombarden waren…?

  1. Geldhandelaren
  2. Schoorsteenvegers
  3. IJsverkopers

Vraag 9
Pionieren in een baan die voordien niet bestond is hard werken. Welke Dordtenaar werd in 1888 benoemd als eerste chef-dirigent van het (later zo genoemde) Koninklijk Concertgebouworkest?

  1. Willem Mengelberg
  2. Willem Kes
  3. Kees (Cornelis) van der Linden

Vraag 10
De broers Dirk en Jacobus Valk zijn de naamgevers van het stadsdeel Land van Valk. Wat was hun beroep?

  1. Zalmvisser
  2. Tuinder
  3. Aannemer

Vraag 11
Het levenloze lichaam van Joop Wilhelmus wordt in september 1994 uit de Voorstraathaven gevist. Hoe verdiende deze beroemde Dordtenaar de kost?

  1. Volkszanger
  2. Snackbarhouder
  3. Uitgever van pornobladen

 Vraag 12 ( volgorde van oprichting)

  1. Victoria
  2. HEMA
  3. Lips

Vraag 13 (afkortingen)

  1. TOMADO
  2. EDAD
  3. NAB

Bonusvraag
De fameuze Scheepswerf De Biesbosch bestond tussen 1917 en 2000. Hoeveel schepen worden er in totaal in deze periode gebouwd?

 

Gilden in Dordrecht

Het thema van de Maand van de Geschiedenis van 2021 was ‘Aan het werk’. We kijken naar arbeid en werk in historisch perspectief. Wilde je vroeger een beroep uitoefenen of een bedrijf beginnen dan was er één instantie waar je niet omheen kon: de gilden. Even een goedkope aannemer van buitenaf inhuren om je badkamer te fixen, zat er in de Middeleeuwen niet in. Je moest lid zijn van een gilde.

Glas-in-loodraam met zakkendragers.

Wat was een gilde? Volgens Wikipedia is een gilde een belangenorganisatie van mensen met hetzelfde beroep. Dit is op zichzelf waar, maar er is veel meer over te zeggen. Als je lid was van een gilde dan was je onderdeel van een gemeenschap. Daarin verschilde een gilde met een vakorganisatie van nu. Een gilde in de Middeleeuwen ging niet alleen over je werk, maar over je hele leven. Naast werk was religie een belangrijke factor in het leven van een vroegere Dordtenaar en ook op dat vlak was het gilde bepalend. Elk gilde had een patroonheilige en een eigen kapel met altaar in een van de parochiekerken. Sommige gilden deelden een kapel. Zo’n kapel moest worden onderhouden en betaald.

Als een gildelid overleed, werd hij begraven in het gezamenlijke graf van het gilde in de Grote Kerk of de Nieuwkerk. Niet alleen jijzelf, maar ook je hele gezin was bij die gemeenschap betrokken. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat de weduwe van een gildelid het beroep van haar man mocht voortzetten zonder zelf lid te moeten worden. Pas wanneer ze hertrouwde, moest haar nieuwe echtgenoot lid worden van het gilde wilde hij met de zaak of het bedrijf van zijn vrouw verder gaan. In maatschappelijk opzicht zorgden de gilden voor hun leden en boden ze een soort sociale zekerheid. Als onderdeel van de gildegemeenschap bepaalde het gilde voor een deel je identiteit en je plek in de maatschappij. Een rijke koopman had natuurlijk een andere rol in de Dordtse maatschappij dan een lid van het Zakkendragersgilde.

 

Wat was het doel van de gilden? Kort gezegd probeerden de gilden hun leden bestaanszekerheid te bieden. Dit deden ze in de eerste plaats door te proberen hun monopoliepositie op hun vakgebied in Dordrecht en omgeving te behouden. Een metselaar die geen lid was van het gilde mocht in Dordrecht en de directe omgeving geen werk verrichten. Deze regel werd ook streng gehandhaafd. In de gebieden buiten Dordrecht zoals Zwijndrecht en Papendrecht gebeurde het wel eens dat er onduidelijkheid of onenigheid was over de rechten die de gilden daar konden laten gelden. Een illegale verbouwing uit de zeventiende eeuw werd door het gilde bestraft. De eigenaar moest de verbouwing ongedaan maken en door een Dordtse bouwvakker laten overdoen. Van de illegale bouwvakker werd het gereedschap geconfisqueerd, zodat hij zijn werk niet meer kon uitoefenen.

Behalve voor concurrentie van buitenaf werd gewaakt voor interne concurrentie. Men wilde voorkomen dat één of enkele leden al het beschikbare werk naar zich toe zouden trekken. Daarom was er een knechtgeld ingesteld. Per knecht moest een meester jaarlijks een bepaald bedrag betalen, zodat het niet aantrekkelijk was om veel knechten te hebben. Een ander doel van het gilde was het garanderen van een hoge kwaliteit van de diensten en producten die het leverde. Het broddelwerk van één lid zou immers van invloed zijn op de reputatie van het hele gilde. Daarom was er in het gilde een uitgebreid opleidingstraject aanwezig. Je begon als leerling. Had je een bepaald niveau bereikt dan werd je gezel. Je kon nu zelfstandig werk verrichten. Wilde je nog verder en zelf mensen onder je hebben dan moest je de meesterproef afleggen. Dit was een proef waarin je liet zien aan een deskundige jury dat je alle aspecten van je vak verstond en uit kon voeren. Een voorbeeld van een meesterproef voor het metselaarsgilde is de bekende Dordtse gevel.

 

Voorbeelden van Dordtse gevels in de Hofstraat.

Hoe werd je lid van een gilde? De meeste mensen werden op jonge leeftijd lid van een gilde als leerling. Om als leerling aangenomen te worden, moest je in de eerste plaats poorter van Dordrecht zijn. Daarnaast moest je intredegeld betalen. De hoogte van dit bedrag was afhankelijk van je afkomst. Leerlingen uit Dordrecht hoefden het minste intredegeld te betalen. Kwam je uit het graafschap Holland dan moest je twee keer zoveel betalen als een leerling uit Dordrecht. Kwam je van nog verder weg dan moest je drie keer dat bedrag betalen. Was je vader ook al lid van het gilde, dan hoefde je maar een fractie van dat bedrag te betalen. Men wilde de aanwas van nieuwe leden dus zo lokaal mogelijk houden. Toch was er ook altijd de behoefte aan kwaliteit. Een meester van een gelijksoortig gilde uit een andere stad kon voor een gereduceerd tarief ook lid worden van een Dordts gilde, mits hij inmiddels poorter van Dordrecht was geworden.

Begrafenisschild van het Grote Viskopersgilde.

Het intredegeld, het lange leerproces: al die moeite deed je natuurlijk niet voor niets. Wat had je er aan om lid van een gilde te zijn en wat kwam er zoal bij kijken? Als gildebroeder genoot je verschillende rechten, maar je had ook plichten. Wat betreft de rechten is het meest voor de hand liggende recht natuurlijk dat je je werk mag doen. Het gilde kwam op voor je belangen als ambachtsman, niet in de laatste plaats in het stadsbestuur. Een ander belangrijk voordeel dat een broeder had was het recht op sociale bijstand die het gilde kon bieden. Als je ziek was, kon je aanspraak maken op het ziekgeld. Wanneer je te oud was om te werken had je recht op het oude mannengeld. Overleden gildeleden mochten begraven worden in het gildegraf.

Uiteraard had je niet alleen rechten, maar ook plichten. Allereerst waren er de financiële verplichtingen. Het gilde had geld nodig om te kunnen functioneren. Er waren allerlei kosten zoals voor het onderhoud van het gildehuis en de kapel in een van de kerken. Ook het ziekgeld en oude mannengeld moest worden gespaard door het gilde. Het zogenaamde vrolijk maal, een jaarlijks terugkerende slemppartij, kostte ook een lieve duit. Deze kosten moesten worden opgebracht door de gildebroeders via jaarlijkse bijdragen, intredegeld, het geld dat je moest betalen voor het doen van de meesterproef, boetes voor allerlei zaken enzovoorts. Behalve financiële verplichtingen had je ook aanwezigheidsplicht bij de opheve en de morgensprake. De opheve was een begrafenisstoet waarin je moest meelopen in gepaste, zwarte kledij. Op de kist lag het gildekleed en gildeschildjes. De morgensprake is een vergadering van gildebroeders waarin allerlei zaken besproken werden en waarin besloten werd wie het gilde in de stadsraad zou vertegenwoordigen. Je moest hierbij dus aanwezig zijn. Kwam je niet dan moest je boete betalen.

Tenslotte was je verplicht wacht te lopen op de stadsmuren of bij de poorten. De gilden hadden tot de taak de stad te verdedigen en hadden daarvoor de stad verdeeld in kwartieren. Voor elk kwartier was een aantal gilden verantwoordelijk voor de verdediging. Verdedigen betekende natuurlijk ook dat je wapens droeg en kon hanteren. De gildebroeders vormden daarom de zogenaamde burgervendels. Dit was een soort gewapende burgerwacht die door de stad ingezet kon worden bij de verdediging van de stad bij bedreiging van buitenaf of binnenuit.

 

Akte van Jan van Beieren waarin gildezaken werden geregeld.

De gilden worden wel eens vergeleken met de moderne vakbonden. Kan je die vergelijking inderdaad maken? Er zijn natuurlijk verschillen. Zo is het idee van een gilde als gemeenschap bij de huidige vakbonden niet zo aanwezig. Interessant is het om te kijken in hoeverre de gilden politieke invloed hadden. Op dit terrein zouden vakbond en gilde overeenkomsten kunnen hebben. De politieke invloed van de gilden is niet op elk moment in de geschiedenis gelijk. Om dit goed in beeld te krijgen is het goed om te kijken naar de geschiedenis van de gilden in Dordrecht. Hier is duidelijk sprake van opgaan, blinken en verzinken.

Het charter uit 1200.

Het begin van de gilden is niet precies vast te stellen, maar in het oudste stuk van Dordrecht, een charter uit 1200, blijkt dat er al georganiseerde economische activiteit gaande is. Het gaat hier om de lakensnijders en de koopliedenhanze. In de loop van de dertiende eeuw ontwikkelden de gilden zich tot een belangrijke factor in de Dordtse samenleving. Aan het eind van deze ontwikkeling was er sprake van ruim dertig gilden. In de veertiende eeuw wilden de gilden hun maatschappelijke invloed verzilveren in politieke invloed in het stadsbestuur. Het stadsbestuur bestond toen vooral uit het college van veertig, de Oudraad. Dit was de elite van de stad die bestond uit rijke en invloedrijke families, vaak met connecties bij de landsheer, de graaf van Holland en Zeeland.

De gilden representeerden vooral de werkende klasse. Aanvankelijk waren ze vertegenwoordigd in een ad hoc commissie van twaalf. Later veranderde dit in een permanente vertegenwoordiging van acht afgevaardigden van de gilden: de Goede Lieden van Achten. De graaf, Albrecht van Beieren, was niet laaiend enthousiast over de aanwezigheid deze nieuwe groep mensen in het bestuur. Toch zag hij ook voordelen. De pragmatisch ingestelde gildebroeders vormden soms een handig tegenwicht tegenover de op macht beluste Veertigen. Andersom waren de Veertigen weer een handig middel om al te vrijpostige gildebroeders terug in het gareel te krijgen. Albrecht van Beieren was aanvankelijk niet de eigenlijke graaf, maar hij viel in als ruwaard voor zijn krankzinnig geworden broer Willem V. Zijn autoriteit werd niet zonder meer aanvaard. Dordrecht en Albrecht van Beieren leefden regelmatig op gespannen voet met elkaar. Pas na de dood van Willem V normaliseerde de verhouding tussen Dordrecht en de landsheer. In 1395 kwam er een algehele verzoening en werd ook de positie van de gilden geregeld. De gilden mochten jaarlijks kandidaten aandragen om deel te nemen in de commissie van acht, maar de graaf moest de voordrachten eerst goedkeuren. Uiteraard koos de graaf alleen diegenen die hem gunstig gezind waren of op wie hij invloed kon uitoefenen. In 1418 veranderde Jan van Beieren, de oom van Jacoba van Beieren, deze regeling. Vanaf nu mochten de gilden volledig zelf bepalen wie van hen afgevaardigd werden naar de Achten.

 

In 1580 werd door het volledige stadsbestuur bepaald dat er geen nieuwe belastingen geheven mochten worden dan na toestemming door de dekens van de gilden. Niet eerder en ook niet erna hadden de gilden zoveel invloed. Waarom deed men dit? De exacte reden hierachter is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk heeft het te maken met het feit dat er na de Opstand tegen Spanje in 1572 geen graaf meer was. De elite kon zich niet meer eenvoudig beroepen op de graaf om orde op zaken te stellen en de wet te verzetten. Het hogere gezag was nu de Staten van Holland. De steden van Holland hadden steun betuigd aan Willem van Oranje en dit kostte geld. Het stadsbestuur kon het zich niet veroorloven de gilden tegen zich in het harnas te jagen want het bestuur had hen hard nodig om de benodigde middelen voor de oorlog tegen Spanje bij elkaar te sprokkelen. Mogelijk was dit voor Dordrecht ook trucje om aan nieuwe heffingen van de Staten van Holland te ontsnappen of die in ieder geval te vertragen. Nieuwe heffingen betekenden dat een stad nieuwe belastingen moest heffen en dat mocht men nu niet zomaar doen. Men moest eerst overleg hebben met de dekens van de gilden. Dit werkte vertragend en wanneer uiteindelijk de dekens instemden, was het stadsbestuur er tenminste zeker van dat nieuwe belastingen niet voor problemen zouden zorgen.

Portret van Cornelis van Beveren.

De ijzeren kast waarin alle privileges bewaard werden.

Ruim zestig jaar later was de situatie voor de gilden volledig veranderd. De stad was niet meer afhankelijk van de gilden. De Oudraad werd nu beheerst door een groep invloedrijke families, de regenten. Het aantal van veertig leden was uitgebreid naar zestig en de regel dat naaste familieleden niet samen in de Oudraad mochten zitten, werd met voeten getreden. Er heerste een zogenaamde regenten-oligarchie. De invloed van de Achten en dus de gilden was vrijwel verdwenen. In 1647 kwam het tot een uitbarsting toen de Oudraad de gilden verbood te vergaderen. Hierdoor konden de gilden geen kandidaten meer kiezen voor de Achten. Het kwam tot een opstand. De gildebroeders marcheerden gezamenlijk naar het huis van burgemeester Jacob de Witt, de vader van Johan en Cornelis, en eisten het recht om weer te mogen vergaderen. Het stadsbestuur ging de onderhandelingen aan met de gildeleden, maar vroeg tevens om militaire hulp aan de Staten van Holland en enkele Hollandse steden. Gelukkig slaagden de onderhandelingen zodat de troepen die al onderweg waren naar Dordrecht niet ingezet hoefden te worden. Dit had tot een bloedbad kunnen leiden.

De gilden mochten weer vergaderen onder het toeziend oog van een van de twee burgemeesters. Hiermee was voorlopig de rust hersteld, maar dit duurde niet lang. Het gilde van zakkendragers en kaaiwerkers was het niet eens met de nieuw ingestelde regel dat de schippers zelf mochten kiezen van wiens diensten zij gebruik maakten. Vroeger was het zo dat dit gilde zelf bepaalde door wie de schippers hun schepen moesten laten lossen. Zij kwamen in opstand en zorgden voor veel onrust in de stad. Ze drongen zelfs het huis van burgemeester Jacob de Witt binnen. Deze opstand werd niet gedragen door de andere gilden. De burgervendels zorgden zelf ervoor dat de rust weer terugkeerde in de stad.

In 1649 kwam het nog eenmaal tot een grote opstand, nu wel door alle gilden gedragen. De rechten van de gilden werden door de Oudraad weer met voeten getreden. De gilden eisten dat de ijzeren kast geopend zou worden en het zogenaamde Houten Boeck zou worden getoond. In de ijzeren kast werden alle rechten en plichten van de stad bewaard en ook alle rechten die door de graaf van Holland destijds aan de gilden waren verleend. Het Houten Boeck zou een afschrift van al deze rechten bevatten. De ijzeren kast werd geopend, maar het Houten Boeck bleek er niet in te zitten. Het is de vraag of dit boek ooit bestaan heeft, maar voor de gilden was de afwezigheid ervan het zoveelste bewijs van de onbetrouwbaarheid van de regenten. Het kwam opnieuw tot een groot oproer. De Staten van Holland moesten op bestuurlijk en militair niveau ingrijpen om de orde te handhaven. De Staten steunden de regenten en de gilden trokken aan het kortste eind. Hierna was het met de invloed van de gilden in het stadsbestuur gedaan. Tijdens de Franse overheersing werden de gilden opgeheven en is het tijdperk van de gilden voorgoed voorbij.

 

In de negentiende eeuw waren er dus geen gilden meer. Was dat een vooruitgang? Wat kunnen we zeggen over de waarde van de gilden voor de maatschappij? Het is duidelijk dat gilden en de gedachte van de vrije markt geen goed koppel waren. Bij de gilden draaide het niet om zoveel mogelijk geld verdienen, maar om sociale en economische zekerheid. In een tijd dat er geen verzorgingsstaat bestond, was dit een zeer waardevolle zaak. De gilden waren in de politiek een factor om rekening mee te houden. Ze vertegenwoordigden de werkende klasse tegenover de niet-werkende klasse van de Dordtse elite. Dit was vooral in Dordrecht het geval. In andere steden hadden de gilden niet zoveel politieke invloed.

In zeker opzicht zou je de gilden kunnen vergelijken met de huidige vakbonden. Er zijn ook belangrijke verschillen. De vakbonden zijn veel meer los zand dan de gilden vroeger. Die vormden een hechte gemeenschap die behalve werk veel meer aspecten van het leven besloeg zoals religie, gezondheid en dood. In tegenstelling tot de vakbonden waren de gilden via de Achten ook actief als bestuurder en hadden de gilden een machtsfactor in handen via de burgervendels. Het rigide systeem van de gilden met betrekking tot opleiding en kwaliteit van het ambacht nodigde niet uit tot renovatie. Pas in de negentiende eeuw, nadat de gilden opgeheven waren, konden industrialisatie en mechanisatie van het arbeidsproces echt op gang komen. Hierdoor kon de productie veel hoger liggen dan voorheen en was er meer ruimte voor specialisatie van bepaalde deeltaken. Dit waren allemaal zaken die in de filosofie van de gilden niet thuishoorden. De meester kende alle technieken en trucs van het product dat hij maakte. Hij was van begin tot eind verantwoordelijk voor het hele proces en voor de kwaliteit van het product dat hij afleverde, al hoefde hij niet alles zelf te doen.

Pas door de industrialisatie kon de maatschappij van vandaag de dag worden gerealiseerd. Iets wat in het gildetijdperk waarschijnlijk niet zo zou zijn gebeurd. Of dit een voordeel genoemd moet worden of niet is misschien wat subjectief. Vooruitgang heeft veel voordelen, maar kent ook een paar nadelen. Lopende bandwerk geeft niet veel arbeidsvreugde en slechte behandeling van de werknemers door de grote corporaties is zelfs in deze tijd nog een feit. Een gildebroeder moest hard werken, maar wist waarvoor hij het deed en plukte veel directer de vruchten van zijn noeste arbeid. Hij kon trots een mooi product afleveren aan een tevreden klant. Wat er ook over het belang van de gilden gezegd kan worden, één ding is zeker: ze hebben mooie archieven achtergelaten met veel mogelijkheden tot onderzoek en daar hebben we zelfs vandaag de dag nog wat aan.

 

150 jaar Lips: een voormalige Dordtse onderneming

Lips is een begrip voor menigeen. Bijna iedereen heeft wel eens een slot van Lips omgedraaid, misschien wel zonder dat te weten. Lips’ sloten vind je overal, in huizen, in kantoren, in banken. Zo ook in het Stadsdepot waar de uitgebreide collecties van het Regionaal Archief Dordrecht en het Dordrechts Museum zijn ondergebracht. Op verschillende sleutels van het (goed bewaakte) stadsdepot staat Lips, en daaronder Assa Abloy. Het spreekt derhalve voor zich dat Lips alleen al qua naam een garantie voor veiligheid en kwaliteit is en dat inbreken geen koud kunstje gaat zijn.

Portret van Jacobus Lips (1847-1921).

Het bedrijf werd precies 150 jaar geleden opgericht door Jacobus Lips Bzn. Hij werd in 1847 geboren en stamt uit een Rotterdamse smedenfamilie. In 1871 nam hij in Dordrecht een smederijtje over aan de Botgensstraat, niet ver van de Grote Kerk. Er werden kachels, haarden, fornuizen, tinnen- en geëmailleerde artikelen geproduceerd en hij richtte zich tevens op de reparatie van dit soort artikelen. Daarnaast verrichte hij ook het typische smidswerk van die tijd, namelijk: het hoefsmeden.

Dat hoefsmeden zal zeker voor de nodige omzet hebben gezorgd, gezien in die tijd de paardentram door de stad reed. Het paard was natuurlijk ook het voornaamste transportmiddel in die tijd. In de winter, wanneer de paarden van nieuwe hoefijzers moesten worden voorzien, was er bij Lips voldoende werk. Die typische Smidse werkzaamheden liepen bijzonder voorspoedig – eigenlijk stormachtig zelfs! – want in 1883 kon al een kleine fabriek worden gebouwd aan de Varkenmarkt, inclusief toonkamer en winkel.

Jacobus Lips raakte al vroeg in het bestaan van zijn bedrijf bijzonder geïnteresseerd in het vervaardigen van brandkisten en brandkasten. Lips zag dat deze producten het goed deden op de markt: het aantal orders nam snel toe. Dat de uitbreiding van het bedrijf hard ging, was mede te danken aan het feit dat Dordrecht steeds meer ontsloten raakte door de treinverbinding tussen Rotterdam en Breda. Deze kwam gereed in 1872, slechts één jaar nadat Lips het smederijtje overnam.

Een betere infrastructuur zorgde voor een toename aan handelsactiviteiten. En daarmee ook een toename aan geldverkeer met als gevolg een grote behoefte aan bijvoorbeeld kluisdeuren en safeloketten voor banken en particulieren. Daarop speelde de firma van Lips in. Door toepassing van de nieuwste technieken en een goede marketingstrategie kon de fabriek snel in omvang toenemen. Dit was goed te zien aan het aantal personeelsleden: tussen 1896 en 1899 is er een toename van 22 naar 100 medewerkers. De firma produceerde op dat moment alleen nog maar brandkasten, kluisdeuren en safeloketten. Kachels, haarden en andere artikelen werden uit het assortiment geschrapt. Die waren minder lucratief.

Een grote brandkast van Lips met daarin safeloketten, omstreeks 1910-1915.

Interieur van Lips brandkastenfabriek aan de Spuiweg omstreeks 1900.

Ook buiten Dordrecht kreeg Lips een steeds groter wordende reputatie. Dit werd bevorderd door vertegenwoordigers aan te stellen, zowel in het binnen- als buitenland. De afzet van producten geschiedde inmiddels ook al in de overzeese gebieden. Om te kunnen blijven voldoen aan de grote vraag naar beveiligingsproducten, werd het opnieuw noodzakelijk uit te breiden. Aan de Spuiweg, niet ver van het spoor, werd een nieuwe en veel grotere fabriek gebouwd. De aandrijving van de vele machines werd op een centrale locatie geregeld, waar een stoommachine geplaatst werd. En zo ontstond een echte fabriek!

Op 28 februari 1899 is de Vennootschap onder Firma een feit. In dat jaar werd ook Vincent Eras, schoonzoon van de oprichter, als compagnon opgenomen. Hij zou zich gaan toeleggen op de productie van sloten. Onder de naam van Lips uiteraard. Een aparte Slotenfabriek werd iets verderop gebouwd, aan de Burgemeester de Raadtsingel, op de hoek van de Spuiweg.

In 1910 werd de VOF omgezet in een Naamloze Vennootschap. De naam van de onderneming werd gewijzigd in Lips’ Brandkasten- en Slotenfabrieken. Het werd overigens een familie-n.v., hetgeen betekende dat de aandelen niet vrijelijk verhandeld konden worden in de zin van het naar de beurs gaan. Wel zou de onderneming flink wat startkapitaal hebben gehad, waarmee kon worden geïnvesteerd in machines, productontwikkeling en nieuwe gebouwen.

 

Oprichtingsakte van de N.V. Lips' Brandkasten- en Slotenfabrieken.

Het voltallige personeel van Lips tussen de sloten- en brandkastenfabriek aan de Merwedestraat.

Voor Lips was er vrij lang geen mogelijkheid om grootschalig uit te breiden, zowel op de huidige locatie in de stad niet, als daar direct buiten. Dordrecht beschikte namelijk nog niet over een industrieterrein. Dit was een van de belangrijkste factoren waarom de industrialisatie voor Dordrecht zeer laat op gang kwam in vergelijking met de landelijke ontwikkelingen. Vanaf 1901 komt hierin vrij snel verandering, met de aanleg van een haven- en industrieterrein op de Staart inclusief railverbinding.

Lips was het eerste bedrijf dat zich op de Staart vestigde. De totale verhuisoperatie, naar de Merwedestraat, nam zes jaar in beslag. Als eerste verplaatste de brandkastenfabriek, die in 1919 werd voltooid. De slotenfabriek bleef nog een lange tijd aan de Spuiweg actief. Maar in 1921 kon ook de nieuwe slotenfabriek in gebruik worden genomen. De oprichter van de – inmiddels – internationale onderneming kon nog net de feestelijke opening meemaken. Nog hetzelfde jaar overleed hij.

Het aantal personeelsleden nam nu flink toe. Toen het bedrijf nog op de oude locatie zat, werkten er 550 mensen. Na de verhuizing nam dit aantal toe naar 750. Ook de oppervlakte van de fabriekscomplexen nam toe: van 9.000 m2 naar 50.000 m2.

 

In de jaren ervoor had de onderneming overigens wel degelijk kunnen uitbreiden. Vooral in het buitenland. Zo kwamen twee fabrieken omstreeks 1911 gereed in Brussel en vlakbij Milaan. Ook deze fabrieken – dochterondernemingen – kenden een periode van grote bloei en groei.

Als gekeken wordt naar het afzetgebied van Lips, dan was de onderneming nog groter. Naast België en Italië werd er namelijk zaken gedaan in China, Rusland, Zuid-Afrika, Noorwegen, Denemarken, Saoedi-Arabië en Engeland. Lips had in die tijd de beschikking over een grote afdeling Public Relations. Reclame voor de producten moest niet alleen professioneel ontworpen worden, maar ook – en dat was tamelijk uniek voor die tijd – in tenminste zeven talen worden verspreid.

Vago, een dochteronderneming van Lips te Milaan, in 1922.

Personeel aan het werk in het kantoor van de sloten- en brandkastenfabriek.

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog brak een zeer donkere tijd aan. De export lag al snel lam en vele afzetgebieden, die eerst winstgevend waren, gingen verloren. Alleen in het binnenland floreerde het nog enige tijd, maar door een brandstoftekort  kwamen de Lips-fabrieken uiteindelijk ook stil te vallen. Na de oorlog kon het bedrijf echter snel weer zaken doen: de bouw van nieuwe fabrieken op de Staart kon nu snel voltooid worden. Ook de Tweede Wereldoorlog ging niet aan Lips voorbij en direct na die oorlog brak een gouden periode voor Lips aan. De oorzaak daarvoor was de wederopbouw en het feit dat er in binnen- en buitenland volop gemoderniseerd werd. Er ontstond een grote behoefte aan allerhande beveiligingsproducten zoals kluisdeuren, safeloketten en sloten.

Binnen Nederland werden nieuwe productielocaties in gebruik genomen. Dit was feitelijk een gevolg van een groot personeelstekort. In Oosterhout werd een montagehal voor eenvoudige sloten gebouwd, en in Oudenbosch een montagehal voor lichte kluizen, die bestemd waren voor export naar met name Indonesië. In Oosterhout kon snel worden uitgebreid met de fabricage van bouwsloten. Het voordeel voor Dordrecht was dan weer dat de slotenfabriek zich geheel kon toeleggen op veel zwaardere sloten. In 1962 werd ten behoeve van de organisatie een nieuw kantoor bij de sloten- en kluizenfabriek gebouwd.

 

Lips wist zeer lang een sterke concurrentiepositie te behouden en zelfstandig te blijven. 100 jaar lang blijft het een familiebedrijf. In 1964 werd Gispen N.V. overgenomen, ook een industriële onderneming, die naast het typische beveiligingswerk voor banken ook stalen kantoormeubelen produceerde. Dat bedrijf was in Rotterdam gevestigd. Lips zelf produceerde overigens al decennia lang stalen meubelen en was daarmee een concurrent van Gispen. De overname zorgde ervoor dat meer krachten samengebundeld konden worden. De statuten van de N.V. werden nog hetzelfde jaar gewijzigd: het totale kapitaal van de vennootschap bedroeg 10 miljoen gulden (gesplitst in 10.000 aandelen).

Lips werd uiteindelijk in 1971 overgenomen door het Britse Chubb. Het arsenaal aan producten nam nu ook verder toe: zo werden er  geldautomaten vervaardigd, inbraakalarmsystemen en andere beveiligingsproducten. In 1984 en 1991 volgden nieuwe overnames. In 2000 werd de brandkastenfabriek – genaamd Lips Brandkasten en Chubbsafes – overgenomen door Gunnebo, een groot Zweeds beveiligingsconcern. De brandkastenfabriek werd in 2004 gesloten, waarna de activiteiten verplaatst werden naar Doetinchem en het buitenland; met in Diemen het hoofdkantoor. De sleutelproductie verhuisde naar Raamsdonksveer. Vanaf begin 2009 is deze slotenfabriek verder gegaan onder de naam ASSA ABLOY.

 

Stalen kantoormeubelen van Gispen op een beurs-uitstalling.

Werknemers verlaten het fabrieksterrein aan de Merwedestraat.

Van de fabrieksgebouwen is thans niets meer over. Het laatste restant werd in 2017 gesloopt. Dit betrof het kantoorpand. Het vertrek van Lips (en daarvoor het opgaan in grote multinationals) was voor Dordrecht een grote aderlating. Immers hebben veel Dordtenaren er ook gewerkt. Even was de naam Lips Brandkasten zelfs volledig in buitenlandse handen, maar voor wat betreft dit jaar (2021), precies 150 jaar na dato, geldt dat Lips Brandkasten weer terug is in Nederland. Het Nederlandse bedrijf Nauta, uit Doetinchem , heeft namelijk de exclusieve verkooprechten verworven.

De enige, schrale troost voor Dordtenaren is misschien wel dat het Regionaal Archief Dordrecht jaren geleden het archief van Lips heeft kunnen verwerven. Dit archief omvat een schat aan informatie, niet alleen over de fabrieken en producten maar ook over de Dordtenaren zelf, die er gewerkt hebben.

 

Sluit het Verborgen Museum